Berichten

Te weinig steun voor financiële hulp aan VKK en ‘t Heft

De Vereniging Kleine Kernen (VKK) en Stichting ’t Heft krijgen vooralsnog geen financiële hulp van de provincie Noord-Brabant. De netwerkorganisaties hebben financiële problemen en worden in hun voortbestaan bedreigd. Na mei van dit jaar zouden zij hun taken niet meer kunnen uitvoeren.

De Vereniging Kleine Kernen behartigt de belangen van de kleine dorpen en het platteland in Noord-Brabant. Stichting ’t Heft is een platform voor gemeenschapshuizen. Beide hebben honderden leden, zoals wijk-/dorpsraden, bewonersverenigingen en buurthuizen.

Vanaf 2016 kunnen de VKK en ’t Heft, die draaien op vrijwilligers, niet meer rekenen op jaarlijkse financiële steun van de provincie, een afspraak uit het Bestuursakkoord 2015-2019.

Gegeven de problemen waarmee de VKK en ’t Heft nu te maken hebben, deed het CDA afgelopen vrijdag, samen met een aantal andere oppositiepartijen, twee voorstellen om de VKK en ’t Heft alsnog financieel te helpen. Dit gebeurde tijdens het debat over de perspectiefnota, een terug- en vooruitblik op hoe Brabant ervoor staat.

Het eerste voorstel voorzag in meerjarige ondersteuning, zodat de VKK en ’t Heft een vaste begroting zouden kunnen maken en op projectbasis deelnemen aan provinciale projecten. In het tweede voorstel was sprake van eenmalige steun in 2018, door niet gebruikt budget uit 2017 voor dit jaar beschikbaar te stellen. Voor alle twee de voorstellen bleek te weinig draagvlak in Provinciale Staten, het Brabantse parlement.

Statenlid Marcel Deryckere (CDA):

“Hopelijk vindt de provincie een andere oplossing waarmee de Vereniging Kleine Kernen en ’t Heft zijn geholpen. Beide hebben honderden leden en vertegenwoordigen duizenden Brabanders. Het zijn organisaties die dicht bij mensen staan, goed op de hoogte zijn wat lokaal speelt én een grote uitvoeringskracht kennen. Juist op die plaatsen in onze provincie waar de leefbaarheid onder druk staat, zoals in dorpen en kleine kernen. De provincie moet er ook voor hen zijn.”

Schriftelijke vragen n.a.v. KBO-opinie Sociale Veerkracht

Schriftelijke vragen van Statenlid Marcel Deryckere n.a.v. de opinie Sociale Veerkracht, de hippe hobby van ons provinciaal bestuur, geschreven door de Katholieke Bond Ouderen (KBO), afdeling Brabant.

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen n.a.v. KBO-opinie Sociale Veerkracht.

Geacht college,

Op 5 oktober jl. publiceerde de Katholieke Bond Ouderen (KBO), afdeling Brabant, een opinie getiteld:

Sociale Veerkracht, de hippe hobby van ons provinciaal bestuur.

Naar aanleiding van deze opinie, die als bijlage aan deze schriftelijke vragen is toegevoegd (zie volgende pagina), heeft de fractie van het CDA voor u volgende vragen:

  1. Hebt u kennis genomen van de opinie Sociale Veerkracht, de hippe hobby van ons provinciaal bestuur, gepubliceerd door de KBO Brabant?
  2. Wat is uw inhoudelijke reactie op deze opinie? Deelt u de mening van de auteur? Waarom wel/niet?
  3. Is deze opinie, waarin het provinciebestuur specifiek wordt aangesproken, voor u aanleiding om hierover met de KBO Brabant, ambassadeur voor veel Brabantse ouderen, in gesprek te gaan?
  4. Welke punten uit de opinie neemt u mee in uw beleid t.a.v. Sociale Veerkracht?    

Wij zien de antwoorden op deze vragen graag tegemoet, waarvoor bij voorbaat zéér bedankt!

Met vriendelijke groet,

Namens de CDA-fractie,

Marcel Deryckere

Publicatie KBO Brabant: opinie artikel – 5 oktober 2017

Sociale Veerkracht, de hippe hobby van ons provinciaal bestuur

De Koning zei het ooit in een troonrede: we leven in een participatiemaatschappij. ‘Meedoen’ is het devies. En dan niet op sleeptouw genomen worden door zogenaamde welzijnswerkers, maar zelfredzaam, zelf de regie over je leven voeren, samen met je sociale omgeving. Het zou een heuse ‘kanteling’ inhouden in de manier waarop mensen die hulp en ondersteuning nodig hebben, zouden worden bejegend.

Dat gegeven is aan het provinciaal bestuur van Noord-Brabant voorbij gegaan. Weliswaar wordt er beleid gevoerd onder de noemer ‘Sociale Veerkracht’, maar die veerkracht blijkt enkel te zitten in de sector van het welzijnswerk, in de onderzoeksinstituten en in de welzijnswerkers zelf. “Benoemt u het maar zoals u wilt, maar ons product blijft hetzelfde.” Als een dekseltje dat op elk potje past. Het vergt wat wringen, maar à la, het moet kunnen! Dat moet wel – het kan gewoon niet anders – de conclusie zijn na kennisneming van het onderzoeksrapport ‘Kwetsbaar Brabant’. ‘Met mij gaat het goed; met ons gaat het slecht’ is al jaren het devies van het Sociaal en Cultureel Planbureau als het eens in de twee jaar rapporteert over de Sociale Staat van Nederland. Het individu ervaart in het algemeen een hoge mate van zich welbevinden, maar het vindt ook dat het met de samenleving als geheel de verkeerde kant op gaat. Dat is al even zo en dat moet te denken geven.

De provincie Noord-Brabant heeft een variant bedacht: ‘Overall gaat het goed, maar niet overal.’ Dat ‘overall’ staat er niet zo maar: als het over Sociale Veerkracht gaat moet het doorspekt zijn met anglicismen, want anders is het niet van deze tijd en zeker niet van de ‘future’. En het is een en al ‘future’ wat de klok slaat; het beleven van het heden is aan de Brabander blijkbaar niet besteed.

Toch ken ik er wel een paar die zich vooral daarop richten. Als vrijwilliger ten behoeve van de medemens voor wie dat zelfredzame niet is weggelegd. Senioren vooral, want toen zij jong waren ging niet zoals nu meer dan de helft van de jeugd naar HBO of universiteit. Als er eentje was in de familie dan waren ze daar al trots op. We hebben de samenleving zo complex gemaakt dat je dat opleidingsniveau wel nodig hebt om zelfstandig je weg te vinden. Zoals onze vrijwilliger die op HBO-niveau acteert als hij of zij anderen behulpzaam is. Maar ‘vrijwilliger’ klinkt niet goed in de oren van het provinciaal bestuur, zal wel kwalitatief minderwaardig zijn, zal wel vrijblijvend zijn. Althans, dat mogen we afleiden uit de wijze waarop het provinciaal bestuur de vrijwilligers als een baksteen heeft laten vallen bij het lanceren van ‘Sociale Veerkracht’. Het provinciaal bestuur richt zich enkel nog op ‘young’ en ‘future’. De rest kan het schudden. Zogenaamd geen doelgroepenbeleid; je moet wel stekeblind zijn om dat te blijven geloven.

‘Het nieuwste Brabant’ was de veelbelovende titel van een dik boek waaraan velen – ook ik – een bijdrage hebben geleverd – ik in euro’s; anderen in inhoud – om een beeld te schetsen van waar we met ons allen naar toe willen. Ik begrijp nu dat dat Brabant tot stand zal moeten komen, niet dankzij het bestuur van de provincie Noord-Brabant, maar in weerwil van. Een gedachte waarbij de rillingen me over de rug lopen; zozeer is Brabant mij lief.

Gérard Mustert, secretaris KBO-Brabant

__________________________________________________________________

KBO-Brabant telt circa 130.000 leden die in zo’n 300 lokale Afdelingen zijn vertegenwoordigd. Voor de collectieve belangenbehartiging van senioren – onder meer richting gemeentelijke overheid – werken de Afdelingen samen in gemeentelijke KBO-Kringen. De KBO werd zo’n 70 jaar geleden in Brabant opgericht en KBO-Brabant is de grootste vereniging in de provincie. Daarnaast behoort KBO-Brabant tot de drie grootste seniorenverenigingen in Nederland.

Voor meer informatie over dit bericht kunt u contact opnemen met Marieke Hageman, communicatiemedewerker van KBO-Brabant. Telefoon (073) 644 40 66 of per e-mail: mhageman@kbo-brabant.nl.

Schriftelijke vragen over tweedeling Brabantse samenleving

Schriftelijke vragen van Statenleden Marcel Deryckere en Marianne van der Sloot (fractievoorzitter) over de tweedeling in de Brabantse samenleving.

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen over de tweedeling in de Brabantse samenleving.

Geacht college, 

De verkenning Mind the Gap van kennisplatform BrabantKennis doet bij het CDA alle alarmbellen rinkelen. Uit dit onderzoek blijkt namelijk dat de tweedeling in de Brabantse samenleving steeds groter wordt. Hoog- en laagopgeleiden leven langs elkaar in plaats van met elkaar. Hierdoor kennen en ontmoeten Brabanders elkaar niet meer en leven ze in kleine groepen gelijkgestemden, in aparte wijken voor hoger- dan wel lageropgeleiden.

Om deze tweedeling tegen te gaan, doet BrabantKennis gelukkig een aantal zinvolle aanbevelingen. Hieronder de oproep tot het in stand houden van buurtvoorzieningen, tradities en evenementen. Dát zijn immers de plekken en momenten waar mensen elkaar ontmoeten, zoals tijdens het spelen van een partijtje voetbal, het vieren van carnaval of in de activiteiten van organisaties als ouderenbonden en vrouwenverenigingen.

Daarnaast pleit BrabantKennis ervoor om mensen beter voor te bereiden op onze ingewikkelde samenleving. We moeten Brabanders de vaardigheden en mogelijkheden geven om te kunnen blijven meedoen.

Dit brengt het CDA tot de volgende vragen:

  1. Onderschrijft u de conclusie van BrabantKennis dat de tweedeling in de Brabantse samenleving steeds groter en dieper wordt?
  2. Bent u van plan om de bevindingen van BrabantKennis te gebruiken als nieuwe input voor uw beleid omtrent ‘Sociale Veerkracht’?
  3. De meeste Brabanders zijn doeners en geen denkers, stelt BrabantKennis. Wat betekent deze observatie voor uw plannen omtrent ‘Sociale Veerkracht’? Moeten deze niet juist concreet en klein worden gehouden in plaats van breed en abstract (bijvoorbeeld door het betalen van promovendi)?
  4. Mensen ontmoeten elkaar in verenigingsverband, op sportclubs en tijdens evenementen als carnaval. In hoeverre bent u het met het CDA eens dat we als provincie deze ontmoetingen verder moeten stimuleren en faciliteren?
  5. Buurtvoorzieningen zijn een andere manier om ontmoeting tussen en door groepen heen mogelijk te maken. De provincie Noord-Brabant heeft o.a. via de zgn. ‘doe-budgetten’ langere tijd met succes ingezet op het concreet verbeteren van buurtvoorzieningen. Bent u, in het licht van de aanbevelingen van BrabantKennis, bereid om in samenwerking met gemeenten opnieuw in te zetten op het vernieuwen en verbeteren van buurtvoorzieningen?
  6. Tegelijk met het verdiepen van de tweedeling zien we nieuwe vormen van samenwerking ontstaan. Bijvoorbeeld coöperaties, platformen, burgerinitiatieven en sociale ondernemingen. Deze initiatieven stranden echter nog té vaak door onnodige problemen en door de overheid opgelegde beperkingen. Hoezeer hebt u voor elk van deze vernieuwende vormen in beeld tegen welke problemen, (wettelijke) beperkingen en moeilijkheden men aanloopt?
  7. Om te kunnen blijven meedoen in onze samenleving is een aantal vaardigheden onmisbaar. Te denken valt aan het gebruiken van digitale middelen, het spreken van de Nederlandse taal en het creëren van een vriendennetwerk. Deelt u de mening van het CDA dat de provincie deze vaardigheden actief moet stimuleren bij doelgroepen die dat nodig hebben?

Wij zien de antwoorden op deze vragen graag tegemoet, waarvoor bij voorbaat zéér bedankt!

Met vriendelijke groet,

Namens de CDA-fractie,

Marcel Deryckere en Marianne van der Sloot

Sociale veerkracht dreigt ambtelijke tijger te worden

Schriftelijke vragen van Statenlid Marcel Deryckere over sociale veerkracht.

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen over sociale veerkracht.

Geacht college, 

Op 9 december 2016 stelden Provinciale Staten het programma Sociale Veerkracht vast. Een aanpak om kwetsbare groepen in onze provincie volwaardig te laten meedoen in onze samenleving en tweedeling te voorkomen. Nu het programma is vastgesteld, wordt het tijd om in actie te komen en concrete initiatieven hiertoe te ondersteunen. Het CDA hoopt op een succesvolle toekomst voor Sociale Veerkracht. Een toekomst vol fantastische projecten van en voor Brabanders die dankzij de provincie net dat extra steuntje in de rug krijgen.

De tijd van vage ambtelijke taal en dikke vellen papier moet voorbij zijn, vindt het CDA. De provincie moet aan de slag. Daarom heeft de Provinciale Statenfractie van het CDA Brabant aan de lokale CDA-fracties in Brabant gevraagd te peilen in hoeverre gemeenten en maatschappelijke organisaties zijn aangesloten bij en bekend zijn met het programma Sociale Veerkracht.

Het CDA is erg geschrokken van de resultaten van deze ‘peiling’. Veel Brabantse gemeenten hebben van de provincie nog geen enkel bericht ontvangen over Sociale Veerkracht. Maatschappelijke organisaties, het fundament onder onze samenleving, blijken niet eens te zijn benaderd door de provincie. Hierdoor dreigt Sociale Veerkracht een ambtelijke tijger te worden, waar de Brabanders niets aan hebben.

Zelf zegt verantwoordelijk gedeputeerde Swinkels op de website van de provincie: ‘Versterking van de sociale veerkracht moet voorkomen dat Brabanders buiten de boot vallen en moet er voor zorgen dat iedereen deelt in, en bijdraagt aan de goede kwaliteit van leven in de provincie’ (zie http://www.brabant.nl/html/2016/ezineveerkrachtigbrabant/3-dit-gaan-we-doen.html).

Dit brengt het CDA tot de volgende vragen aan het college van Gedeputeerde Staten:

  1. Waarom hebt u alleen met de middelgrote steden en gemeenten in West-Brabant contact over Sociale Veerkracht?
  2. Behalve de middelgrote steden en gemeenten in West-Brabant geven ook veel andere gemeenten aan gráág te willen deelnemen aan Sociale Veerkracht. De provincie betrekt deze gemeenten echter niet bij het programma. Betekent dit dat gemeenten buiten de genoemde regio’s geen (financiële) ondersteuning krijgen vanuit Sociale Veerkracht? Indien ja, waarom is dat?
  3. Uit de antwoorden op schriftelijke vragen in verschillende Brabantse gemeenten blijkt dat de middelgrote steden en gemeenten in West-Brabant ‘startplaatsen zijn waarvandaan we lessen meenemen voor heel Brabant’. Is er binnen het programma Sociale Veerkracht budget beschikbaar om deze lessen en initiatieven over heel Brabant uit te rollen? Indien niet, waarom niet?
  4. Naast de zgn. ‘gebiedsgerichte aanpak’ wilt u ook werken met ‘cross-overs’ naar andere provinciale opgaven. Hoe denkt u deze cross-overs te realiseren? Hoeveel budget heeft u hiervoor gereserveerd? Graag een specificatie per provinciale opgave.
  5. Kunt u ons een aantal voorbeelden noemen van (mogelijke) cross-overs die de afgelopen periode uit uw gesprekken met de middelgrote steden en de gemeenten in West-Brabant naar voren zijn gekomen?
  6. Uit de beantwoording van de vragen blijkt dat de provincie geen contact zoekt met maatschappelijke organisaties in de verschillende regio’s. Hoe denkt u een maatschappelijk programma als Sociale Veerkracht succesvol te maken zonder het maatschappelijk middenveld actief te benaderen en een actieve rol te geven?
  7. Naar aanleiding van de vragen van het CDA stelt u in uw brief aan diverse Brabantse gemeenten dat er voor gemeenten of andere organisaties géén mogelijkheid is tot het aanvragen van projectsubsidies. Waarom is deze mogelijkheid er niet?
  8. Kunnen ouderenbonden aanspraak maken op projectsubsidies? Graag een toelichting waarom wel/niet.
  9. Indien ja, waartoe leidt de door u ingevoerde overgangssubsidie voor de VBOB in 2018?
  10. Het CDA is groot voorstander van het ondersteunen van initiatieven van onderop om Sociale Veerkracht te ondersteunen. Door projectsubsidies onmogelijk of onbereikbaar te maken kunnen deze initiatieven echter niet bij de provincie terecht voor ondersteuning. Bent u het met het CDA eens dat dit een zeer onwenselijk gevolg is van het collegebeleid? Graag een toelichting.

Wij zien de antwoorden op deze vragen graag tegemoet, waarvoor bij voorbaat zéér bedankt!

Met vriendelijke groet,

Namens de CDA-fractie,

Marianne van der Sloot en Marcel Deryckere

CDA: 3 voorstellen voor méér sociale veerkracht in Brabant

De Provinciale Statenfractie van het CDA Brabant lanceert vandaag drie voorstellen om de ‘sociale veerkracht’ in Brabant te verbeteren: bestrijding van eenzaamheid (1), invoering van het ‘Right to Challenge’ (2) én sociale veerkracht als onderdeel van elk Statenvoorstel (3).

Het CDA dient hiertoe drie moties in tijdens de plenaire vergadering van Provinciale Staten op 18 november. Het thema ‘sociale veerkracht’ staat dan op de agenda.

Fractievoorzitter Marianne van der Sloot:

“Het CDA vindt sociale veerkracht van gróót belang voor de Brabantse samenleving. In de begroting van de provincie bezuinigt dit college van Gedeputeerde Staten op ouderenbonden en andere vrijwilligersnetwerken. Het CDA heeft zich hiertegen verzet, maar kreeg onvoldoende steun. Met deze drie voorstellen proberen we nu de situatie voor de meest kwetsbaren in onze provincie te verzachten, en geven we tevens ruim baan aan creatieve ideeën uit de samenleving zelf.”

Uit onderzoek blijkt dat meer dan 38% van de Brabanders, jong én oud, eenzaam is. Dit gaat vaak ten koste van hun gezondheid, welzijn én netwerk. Eenzaamheid tegengaan ziet het CDA dan ook als een grote taak voor de provincie, waarvoor het college met een plan zou moeten komen.

Via invoering van het zogeheten ‘Right to Challenge’ wil het CDA aan Brabanders het ‘uitdagingsrecht’ geven om zélf met ideeën voor sociale veerkracht aan de slag te gaan. Zij weten immers het beste welke initiatieven kans van slagen hebben en kunnen rekenen op voldoende draagvlak. Dit past bij de huidige ‘participatiesamenleving’.

Omdat sociale veerkracht nauw verbonden is met bijna ieder besluit dat Provinciale Staten neemt, pleit het CDA ervoor in elk Statenvoorstel een paragraaf over sociale veerkracht op te nemen. Net als dat gebeurt met internationalisering.

Reactie KBO Brabant op bezuinigingen ‘Sociale Veerkracht’

Lees via de volgende link de reactie van KBO Brabant op de bezuinigingen op Sociale Veerkracht, ouderenbonden en vrijwilligersnetwerken, van de provincie Noord-Brabant: http://www.kbo-brabant.nl/nieuws.php?action=view&Nieuws_Id=6871.

Het CDA ondersteunt het pleidooi van de KBO: vrijwilligersorganisaties als de KBO, maar bijvoorbeeld ook de Vereniging Kleine Kernen, zijn van onschatbare waarde voor de Brabantse samenleving. Zij doen heel goed werk voor heel veel mensen in Brabant, onder wie honderdduizenden senioren.

Als CDA zullen we doen wat we kunnen om het Brabantse college van Gedeputeerde Staten op andere gedachten te brengen. Alle hulp is daarbij welkom!

Hebt u vragen of wilt u meer informatie, neemt u dan contact op met fractievoorzitter Marianne van der Sloot via het e-mailadres MvdSloot@brabant.nl.

Inbreng CDA bij Statenbehandeling Sociale Veerkracht

Statenbehandeling Sociale Veerkracht – deel 2

Spreektekst Marianne van der Sloot namens de fractie van het CDA (d.d. 21-10-2016)

Voorzitter, na de vorige behandeling is voor het CDA 1 ding duidelijk geworden:

Je moet je oude schoenen niet weggooien voordat je nieuwe hebt.

In de afgelopen weken hebben wij veel vrijwilligers, verenigingen en “veerkrachtigen” gesproken. Er heerst veel onrust en er is veel onduidelijkheid over de toekomst. Laten we daar wat aan doen.

1) Want de netwerken in Brabant zijn de smeerolie van onze provincie.

Ik denk aan de Vereniging Kleine Kernen, de seniorenverenigingen.  En de insprekers van vandaag.  Sociale Veerkracht komt van onderop.

Als u ons vraagt: wil het CDA in het leefbaarheidsprogramma vernieuwen? Jazeker. Dat willen de netwerken ook.  Maar daar moeten ze ook de kans voor krijgen.

En niet per 1 januari – de stekker eruit – en laten omvallen.

We moeten niet het kind met het badwater weggooien.

En dat mogen we ook niet.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn de basis van ons bestuursrecht.

We moeten een betrouwbare overheid zijn → Dat zijn we nu niet.

De uitvoeringsorganisaties en de netwerken kennen al jarenlang een relatie met de provincie. Nu kunnen ze door de onzekerheid geen plannen maken voor volgend jaar. Dat kan pas eind november.

Dit alles pleit voor een fatsoenlijke overgangstermijn, van tenminste 1 jaar, om aan de toekomst te werken.

Graag willen we dit als CDA, samen met andere partijen, bij de begrotingsbehandeling op 11/11 besluiten.

2) Voor het CDA is Sociale Veerkracht een programma voor HEEL Brabant.

Niet alleen voor West-Brabant en de middelgrote steden. Meer doen, kost meer geld.

Wij zijn bereid om bij te leggen. Wij zullen bij de begroting met voorstellen komen.

Tot slot 2 punten voorzitter:

3) Wij zijn en blijven, samen met de gedeputeerde, enthousiast over het Manifest van de verschillende partijen en willen dit toevoegen in het programma Sociale Veerkracht.

4) Bij de begroting willen we met concrete voorstellen terugkomen op de Regionale voedselbank.