Berichten

Opinie Marianne van der Sloot c.s. – ‘Stoppen met dromen en drammen over klimaat’

Opinie van Marianne van der Sloot en 11 andere CDA-lijsttrekkers in dagblad De Telegraaf d.d. 5 februari 2019.

‘Stoppen met dromen en drammen over klimaat’

De plannen van de klimaattafels getuigen niet van realisme en gezond verstand. Dat stellen de twaalf CDA-lijsttrekkers voor de Provinciale Statenverkiezingen. In de week van het klimaatdebat in de Kamer en het eigen partijcongres, stellen zij vier voorwaarden aan het Klimaatakkoord.

Klimaat is een belangrijk thema in de campagne voor de provinciale verkiezingen. Dat is terecht. Om de doelen van Parijs te halen, zijn de provincies van cruciaal belang. Als CDA lijsttrekkers van de twaalf provincies onderschrijven wij de doelen en zien wij veel kansen voor onze provincies. Maar om Parijs te halen is meer realisme en gezond verstand nodig in de uitvoering. Daarin schieten de plannen van de klimaattafels tekort. Daarom stellen wij vier voorwaarden aan het definitieve akkoord.

Een succesvolle klimaataanpak vraagt allereerst om draagvlak in plaats van doordrukken. Bij de presentatie van het concept-klimaatakkoord is te veel mist ontstaan over de werkelijke klimaatopgave. Het debat is gekaapt door felle voor- en tegenstanders, door drammers en sceptici. Maar door mensen alleen bezorgd of boos te maken komt een oplossing niet dichterbij. De keuzes zijn lastig, zoals we zien in discussies over windmolens. Iedereen weet dat ze nodig zijn, maar niemand wil ze in de achtertuin.

Veel van de zorgen gaan over de rekening van de klimaataanpak. Die zorgen zijn terecht. Voor veel mensen is een nieuwe elektrische auto nog lang geen haalbaar alternatief. Zij zijn al blij met een degelijke tweedehands, die ook de komende jaren nog vaak op benzine rijdt. Ook de plannen om huizen te isoleren en van het gas af te halen vragen om grote investeringen, bovenop de hogere energierekening die mensen dit jaar al betalen. Daarom moeten we zorgen dat de veranderingen voor iedereen haalbaar en betaalbaar zijn.

In de derde plaats pleiten wij voor een realistischer tempo in de uitvoering. De klimaatplannen zijn geformuleerd voor 2030 en 2050. We hebben dus een generatie de tijd om alle doelen te realiseren. Die tijd moeten we nuttig gebruiken, door nu te doen wat kan en nodig is en andere maatregelen uit te smeren over de komende decennia. Dat geeft een realistisch perspectief, maar schept ook ruimte om maximaal te profiteren van de innovatie en de technologische vooruitgang. Ook de markt levert hier een bijdrage. Zo heeft Volkswagen al aangekondigd vanaf 2026 uitsluitend nog elektrische auto’s te produceren. Daar is dus geen peperdure subsidie voor nodig.

De vierde voorwaarde is een eerlijk Europees speelveld. Het Nederlandse klimaatbeleid is gericht op een CO2-reductie van 49%. In Europa zoekt het kabinet steun voor een verdere reductie tot 55%. De realiteit is dat veel van de ons omringende landen niet verder komen dan 40 tot 45%. Dat maakt de Nederlandse ambitie riskant. Een Nederlandse ‘kop’ op de Europese doelen betekent dat wij voor veel geld de problemen van andere landen oplossen en de concurrentiepositie voor MKB’ers en grote bedrijven verslechtert. Daarom moet Nederland aansluiten bij de Europese doelen, ook als dit lager is dan de ambities waar het kabinet nu vanuit gaat.

Wij kunnen de klimaatopgave tot een succes maken en onze provincies schoner doorgeven aan de volgende generaties. Dat kan als we stoppen met dromen en drammen en kiezen voor haalbare, betaalbare en realistische plannen. Daarover kan de kiezer zich op 20 maart uitspreken.

De CDA-lijsttrekkers voor de verkiezingen Provinciale Staten: Jan Nico Appelman (Flevoland), Jo Annes de Bat (Zeeland), Adri Bom-Lemstra (Zuid-Holland), Gerhard Bos (Gelderland), Derk Boswijk (Utrecht), Patrick Brouns (Groningen), Dennis Heijnen (Noord-Holland), Eddy van Hijum (Overijssel), Henk Jumelet (Drenthe), Ger Koopmans (Limburg), Sander de Rouwe (Friesland), Marianne van der Sloot (Noord-Brabant).

Opinie Marianne van der Sloot – ‘Van die ‘beweging’ heeft Brainport weinig gemerkt’

Opinie van Statenlid/fractievoorzitter en lijsttrekker Marianne van der Sloot in het Eindhovens Dagblad d.d. 31 januari 2019.

Van die ‘beweging’ heeft Brainport weinig gemerkt

CDA-lijsttrekker Marianne van der Sloot reageert op de uitspraken van gedeputeerde Christophe van der Maat in het ED.

Beste Christophe,

Brabantse nachten zijn lang. Zeker die ene van vier jaar geleden. Die ene, hele lange nacht op het Provinciehuis in Den Bosch. Ik heb het natuurlijk over de verkiezingen voor de provincie, die op 18 maart 2015 plaatsvonden en ver na middernacht werden beslist. Brabant had gestemd. Een voor een kwamen per gemeente de uitslagen binnen, lange tijd ging het nek aan nek tussen jouw VVD en mijn CDA. Pas toen het licht werd, tekende zich de einduitslag af: met slechts 1777 stemmen verschil kregen jullie het goud en moesten wij genoegen nemen met zilver.

Desondanks waren wij optimistisch gestemd. Wat we konden écht iets gaan doen aan de bereikbaarheid van Eindhoven. Van de gemeenten rondom Eindhoven. Van Brainport. Een van de slimste en snelst groeiende regio’s ter wereld. Waar je elke dag in de file staat. Onbestaanbaar.

Daar moeten we dus iets aan doen. Vonden wij als CDA. En vond ook de VVD. Dachten we tenminste. Want niet lang na de verkiezingen spatte onze droom voor een bereikbaar Brainport uiteen. Schakend op twee borden koos jouw VVD er voor een deal te sluiten met de SP en twee andere partijen: ‘links’ mocht vier jaar losgaan op milieu, de VVD op industrie. En de bereikbaarheid van Eindhoven? Daar zouden jullie vieren het dan deze periode niet over hebben. De gedeputeerde mobiliteit kon zijn agenda vooral vullen met vergaderingen, met het doorknippen van de lintjes van zijn voorganger. En met een beetje smart mobility.

Als CDA, inmiddels oppositiepartij, zagen we het met lede ogen aan. Maar de grootste verliezer van deze deal: de inwoners en forenzen van Eindhoven, Helmond, Nuenen en Laarbeek. Zij staan iedere dag stil, zien het sluipverkeer, de overlast en incidenten toenemen, en horen op de radio hoe Eindhoven een vaste plek heeft verworven in de dagelijkse fileberichten. Het akkoord dat jouw VVD in 2015 sloot met SP, D66 en PvdA kreeg, hoe ironisch, de titel Beweging in Brabant. In Brainport heeft de automobilist echter weinig van die ‘beweging’ gemerkt. Evenmin trouwens bij knooppunt Hooipolder en op de Merwedebrug, waar het óók stilstaan en achteraan aansluiten is. En waar behalve de automobilist ook de omwonenden telkens de dupe zijn.

Vier jaar lang stilstaan in Brainport. Zonder perspectief op verbetering. Want elk voorstel, elke oplossingsrichting die in de Provinciale Staten voorbijkwam, werd steevast bij elke begrotingsbehandeling door jou ontraden en door jouw politieke ‘bondgenoten’ weggestemd. En het geld dat opzij was gezet voor een oplossing, werd ondertussen driftig uitgegeven. Waaraan eigenlijk? In elk geval niet aan het oplossen van de verkeersproblemen rondom Eindhoven. Nee, een alternatief voor de zogenoemde Noordoostcorridor mocht er niet komen. Wat de regio wél kreeg, was meer ergernis, meer overlast en meer economische schade. Hoeveel bedrijven zouden omwille van de slechte bereikbaarheid Brainport reeds links (hebben) laten liggen en hun heil elders zoeken? De VVD heeft Brainport, de regio Eindhoven, een slechte dienst bewezen. Niet erg liberaal.

En toen waren we vier jaar verder. En was er ‘ineens’ jouw interview in het Eindhovens Dagblad van 24 januari. ‘Tijd voor volgende stap in Brainport’, tekende de krant uit jouw mond op. Met de verkiezingen in aantocht moesten betrokken gemeenten van jou maar eens met voorstellen komen, waarmee een nieuwgekozen provinciebestuur straks aan de slag kan. Eindhoven, met hoe ‘toevallig’ een VVD-wethouder op mobiliteit, pakte de handschoen op en ensceneerde deze week een schijngevecht tussen ‘links’ en ‘liberaal’. Goed voor de verschillen, goed voor de verkiezingen, zal het campagneteam van de VVD hebben gedacht. Misschien dat meer gemeenten het voorbeeld volgen.

Laten we eerlijk zijn: in de afgelopen vier jaar is in Brabant het verschil tussen ‘links’ en ‘liberaal’ praktisch verdampt. De verkeersproblemen in Brainport hebben dat pijnlijk duidelijk gemaakt.

Daarom mijn oproep aan jou: Christophe, haal Brainport uit zijn nachtmerrie. Het hoeft nog niet te laat te zijn. In de nacht van 20 op 21 maart a.s. zullen we elkaar opnieuw treffen. Allebei met zoveel meer ervaring dan vier jaar geleden. Jij met de ervaring met ‘links’, ik met de ervaring van vier jaar oppositie. Praktisch gezien komt dat op hetzelfde neer: je bereikt weinig en er wordt je niets gegund.

Tijd voor verandering dus. Met een verkeersoplossing voor Brainport ín een volgend bestuursakkoord, en met meer perspectief ín Zuidoost-Brabant. 1777 stemmen kunnen zomaar het verschil maken.

Marianne van der Sloot is fractievoorzitter in Provinciale Staten en lijsttrekker van het CDA Brabant.

Opinie Marianne van der Sloot – ‘Provincie: toon spierballen’

Opinie van Statenlid en fractievoorzitter Marianne van der Sloot in het Brabants Dagblad d.d. 20 april 2018.

Provincie: toon spierballen

Tekort aan personeel in de zorg, de bouw, de problemen met arbeidsmigranten. Voor een integrale aanpak is een regisseur nodig. De provincie kan het verschil maken.

Marianne van der Sloot

GASTOPINIE

Brabant doet het goed. Op heel wat lijstjes staat onze provincie bovenaan: hightechregio Eindhoven een van de slimste regio’s ter wereld, West-Brabant de logistieke hotspot van Nederland, Midden-Brabant dé plek waar je als toerist moet zijn geweest, het thuis van Olympisch én landskampioenen. We mogen er graag over vertellen. En terecht.

Toch is er geen reden om zelfvoldaan achterover te leunen. Want ondanks zonnige berichten over meer banen, meer vacatures en meer vaste contracten pakken donkere wolken zich samen boven de Brabantse arbeidsmarkt. De personeelstekorten in de zorg, de bouw en de logistiek lopen razendsnel op. Tegelijkertijd groeit het aantal arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa, maar is huisvesting in veel gemeenten een probleem.

Te groot

“Niet onze verantwoordelijkheid” was in de afgelopen jaren veelvuldig de reactie van de provincie op deze en andere vraagstukken. Wat mij betreft veranderen we dat in “Samen de schouders eronder”. Veel van de uitdagingen waar Brabant voor staat zijn te groot voor één gemeente en te regiospecifiek om vanuit Den Haag te worden opgepakt. Hier kan de provincie als middenbestuur een rol spelen.

Nederland vergrijst en Brabant vergrijst mee. Dat vergt meer handen aan het bed en meer gekwalificeerd mbo-personeel. Een gemeente alleen lost de tekorten niet op. Hoewel partijen hard werken aan een oplossing, zijn er nog steeds teveel zorg vacatures. Het nieuwe Actieprogramma Werken in de Zorg van het Rijk smeekt om een regionale uitvoering. En daar komt de provincie in beeld, die overheden, verzekeraars, onderwijs- en zorginstellingen kan helpen om méér mensen te interesseren voor een baan in de zorg, afspraken te maken over voldoende stageplekken en na te denken andere, efficiëntere manieren van werken.

Eenzelfde regionale aanpak is nodig in de bouw. Het tekort aan bouwvakkers en technici is groot. Dat is een probleem voor onze economie, voor de woningbouw, maar ook voor het halen van de klimaatdoelen (Brabant energieneutraal in 2050). Het aantal jongens en meiden dat kiest voor een bouw- of technische opleiding is bij lange na niet voldoende om het groeiende aantal vacatures, inmiddels meer dan 2.500, in te vullen. Het minste wat de provincie kan doen is met bouwbedrijven, brancheorganisaties en bouwopleidingen om de tafel gaan en vragen wat zij nodig hebben om die in te vullen. Aantrekkelijkere leslokalen? Bijscholing voor docenten? Een imagocampagne?

Uitbuiting

In de logistieke en agrarische sector zijn veel arbeidsmigranten werkzaam: mensen die huis en haard verlaten en voor een deel onze Brabantse economie draaiende houden. Momenteel zien we in onze provincie gevolgen ontstaan die we niet zouden moeten willen, zoals verdringing op de woningmarkt, uitbuiting en slechte huisvesting van werknemers en gevoelens van onveiligheid in wijken. Gemeenten worstelen ieder-voor- zich met dit onderwerp. Een integrale afstemming in de regio ontbreekt. Dit onderwerp vraagt om regie, die verder gaat dan de individuele gemeenten of het bedrijfsleven. Die handschoen zou de provincie moeten oppakken.

Bestuurskundige Klaartje Peters publiceerde in 2007 een boek over de provincie getiteld Het opgeblazen bestuur. Hierin stelt ze o.a. dat provincies hun bestaansrecht proberen te rechtvaardigen door zich belangrijker te maken dan ze daadwerkelijk zijn. Door meer taken op zich te nemen dan hen traditioneel toekomt. Wel, wat mij betreft mag de provincie juist nu meer dan ooit haar spierballen laten zien. Zichzelf opblazen is niet nodig, want ons middenbestuur verkeert in topconditie. In ’s-Hertogenbosch staat een toren vol kennis, plannenmakers en ronde tafels, van waaruit  veel kan worden gedaan. Dat is geen kwestie van kunnen, maar een kwestie van willen. Brabant kan wel degelijk het verschil maken.

Marianne van der Sloot is Lid van Provinciale Staten Noord-Brabant en fractievoorzitter van het CDA.

 

Opinie Jaco Geurts en Ton Braspenning: ‘Geef de veehouderij een kans’

Opinie van Tweede Kamerlid Jaco Geurts en Statenlid Ton Braspenning in het Brabants Dagblad d.d. 19 maart 2018.

Geef de veehouderij een kans

Als we niet oppassen is er straks niet een zoon of dochter meer die het boerenbedrijf over wil nemen. Stop de negatieve beeldvorming. We doen het in Nederland heel goed.

Jaco Geurts
Ton Braspenning

GASTOPINIE

Het CDA staat voor een veehouderij die in balans is met zijn omgeving. Het is best lastig om die balans te bereiken, want het gevoel van onbalans komt meer vanuit een beleving dan vanuit de feitelijkheden. Boeren hebben geïnvesteerd in innovatieve stallen met onder andere welzijnsvloeren, zodat zij de beste zorg kunnen bieden aan hun dieren. Alleen wordt dat vaak weggelaten in de berichtgeving. Het CDA sluit haar ogen niet en wil juist zorgen voor de balans tussen de veehouderij en een gezonde leefomgeving voor iedereen. Waarbij er ruimte geboden wordt voor boeren om te blijven boeren. Dat betekent de dialoog aangaan met elkaar: lokaal, provinciaal en landelijk.

Naast de zorg voor dieren zetten CDA’ers zich lokaal, provinciaal en landelijk in om verder te bouwen aan een duurzame en innovatieve veehouderij. Daarbij zijn de zorg voor volksgezondheid en aanbevelingen van de Gezondheidsraad leidend. Wij zijn daarbij van mening dat het kabinet voor breed gedragen gezondheidsonderzoek moet zorgen waarbij niemand vraagtekens kan zetten. Wij vinden het onbegrijpelijk dat onze boeren continue worden bekritiseerd over de manier waarop zij werken, ondanks dat wij het in Nederland heel goed doen. Deze negatieve beeldvorming blijft niet zonder gevolgen. Want als we zo doorgaan dan is er geen enkele boerendochter of -zoon meer die nog verder wil met het familiebedrijf. Dan verliezen we goed en betrouwbaar voedsel van eigen bodem en de economische waarde daarvan voor de BV Nederland.

Bloeiende sector

Steeds meer toeleverende bedrijven aan de agrarische sector dreigen te vertrekken naar het buitenland. De ontwikkeling en toepassing van innovaties stokt in Nederland. Mede omdat de meest duurzame ontwikkelingen op het gebied van voedselveiligheid, dierwelzijn, milieu en economie in Nederland niet gebouwd mag worden. Onderzoek, innovatie en ontwikkeling zijn alleen maar mogelijk met voldoende boeren en boerinnen. Het CDA is van mening dat een bloeiende Nederlandse agrarische sector met oog voor de positie van boer en tuinder en haar omgeving daarom zeer belangrijk is.
Door steeds veranderende regels en een ongelijk speelveld in de Europese Unie wordt het veel boeren onmogelijk gemaakt om een eerlijke prijs en daarmee een goed inkomen te verwerven. Om aan de eisen te voldoen moet er stevig worden geïnvesteerd. Al die extra regels van de provincie Brabant zorgen er alleen maar voor dat de investeringen in duurzame en zorgvuldige oplossingen niet worden bevorderd en brengen zeer hoge kosten met zich mee. Investeringen zijn alleen mogelijk als de opbrengsten deze investeringen rendabel maken. Daar is momenteel absoluut geen sprake van. Het doel van nieuwe regelgeving moet zijn, dat gezonde bedrijven toekomst hebben, dat jonge ondernemers makkelijker een bedrijf kunnen overnemen en dat stoppende ondernemers een oudedagvoorziening hebben.

Voedselscheidsrechter

Daarnaast wil het CDA dat er een voedselscheidsrechter komt, die proactief de steeds schevere marktstructuur aanpakt. Dit als oplossing voor meer balans op de markt en tegen een ongelijk speelveld. Wij sluiten onze ogen niet voor de groeiende onbalans maar gaan juist over tot actie. Daarom is in het regeerakkoord opgenomen dat we de gezondheid- en leefomgevingsrisico’s niet willen negeren. Met de sector en overheden wordt ingezet op een warme sanering van de varkenshouderij in overbelaste gebieden. Hier is 200 miljoen euro voor beschikbaar gesteld. Wij menen dat daarnaast een verdere dialoog tussen boeren en inwoners plaats moet vinden. Juist om ervoor te zorgen dat we voldoende en goed voedsel blijven produceren, en dat agrarische ontwikkelingen voldoende ruimte krijgen. Daarnaast moeten we zorgen dat milieumaatregelen het juiste effect hebben op de juiste plaats. En moeten we ervaren overlast aanpakken en geen generiek beleid maken wat alleen maar leidt tot minder investeringsmogelijkheden voor ondernemers met als gevolg meer armoede op het platteland.

Jaco Geurts is CDA Tweede Kamerlid. Ton Braspenning is CDA Statenlid Brabant.

 

Opinie Marcel Deryckere en Patricia Brunklaus: ‘Orkest verdient een betere behandeling’

Gastopinie van Statenleden Marcel Deryckere en Marcel Deryckere in het Brabants Dagblad d.d. 23 oktober 2017.

‘Orkest verdient een betere behandeling’

GASTOPINIE De manier waarop de provincie met de Philharmonie Zuidnederland is omgegaan de afgelopen maanden is teleurstellend en Brabant onwaardig. Hoog tijd om een en ander recht te zetten.

Afgelopen zomer verraste de provincie Noord-Brabant vriend en vijand met de aankondiging dat zij de Philharmonie Zuidnederland met een half miljoen euro wil korten op haar jaarlijkse subsidie. Verantwoordelijk gedeputeerde Henri Swinkels deelde het besluit op donderdagochtend 13 juli mee via de media. Met Provinciale Staten, het orkest en andere subsidiepartners als de provincie Limburg en het rijk was niet overlegd. Er volgde een storm van kritiek.

De bewuste persconferentie van 13 juli leverde meer vragen op dan antwoorden. Bijvoorbeeld over de motivatie om te bezuinigen, de gevolgen voor het orkest, de besteding van de half miljoen vrijgemaakte euro’s en de gevolgde procedure. Er waren schriftelijke vragen aan de gedeputeerde, een overleg met de verschillende cultuurwoordvoerders, een spoeddebat én Kamervragen aan de minister voor nodig om op die vragen antwoord te krijgen.

“Wie zo’n ingrijpend besluit neemt, dient hierover op zijn minst met alle betrokken partijen te spreken”

En de uiteindelijke antwoorden waren helaas allerminst bevredigend. Daarom vroegen CDA en GroenLinks een spoeddebat aan. Ook toen kon de gedeputeerde niet duidelijk maken waarom de Philharmonie Zuidnederland in 2018 en in de jaren daarna een half miljoen euro moet inleveren, ten gunste van ons nog onbekende symfonische initiatieven. En dat terwijl Provinciale Staten, de Brabantse volksvertegenwoordiging, alléén mandaat hebben gegeven om 2 miljoen euro jaarlijks voor de Philharmonie te bestemmen.

Vraagtekens

Daarnaast zijn er vraagtekens bij de motivatie van het kortingsbesluit en de rol die het onderzoek van Berenschot en Haenen hierbij heeft gespeeld. In opdracht van de provincies Noord-Brabant en Limburg zijn verschillende toekomstscenario’s voor de Philharmonie onderzocht. Het onderzoek bevatte géén conclusies en kon vrij worden geïnterpreteerd.

Hoe de provincie Noord-Brabant dit gedaan heeft, welke conclusie(s) zij heeft getrokken en waarom deze afwijken van de conclusies van de provincie Limburg, is een raadsel. Het belangrijkste argument dat de provincie aanvoert voor haar besluit, dit onderzoek, zou niet met raadsels omgeven mogen zijn.

Tot slot bestaat er bij alle bij het orkest betrokken partijen én bij het orkest zelf verontwaardiging over de wijze van informeren en communiceren door de provincie. In antwoord op Kamervragen noemde de minister deze werkwijze ‘teleurstellend’, een kwalificatie die breed wordt gedeeld. Wie immers zo’n ingrijpend besluit neemt, dient hierover op zijn minst met alle betrokken partijen te spreken. Vooraf en niet achteraf. Dat zo’n overleg pas op 20 oktober, ruim drie maanden na bekendmaking van het besluit, heeft plaatsgevonden, is Brabant onwaardig. Hier kennen we een overlegtraditie en doen we het samen.

Dit ‘samen doen’ is bovendien vastgelegd in artikel 3.1 van het Cultuurconvenant 2017-2020, dat mede door de Brabantse gedeputeerde cultuur is ondertekend. Hierin staat dat subsidiëring van instellingen als de Philharmonie Zuidnederland, onderdeel van de landelijke culturele basisinfrastructuur, tot in elk geval 2020 een gezamenlijke verantwoordelijkheid van lokale, regionale en landelijke overheden is.

“Het toekennen van meer of minder geld mag dan een politieke keuze zijn, behoorlijk bestuur is dat niet”

De Philharmonie Zuidnederland is het enige regio-orkest in Zuid-Nederland, na het samengaan van het Limburgs Symfonie Orkest en Het Brabants Orkest in 2013. Het orkest vervult een belangrijke rol in de Brabantse en Limburgse samenleving op zowel muzikaal als educatief terrein. Met relatief weinig mensen wordt veel werk verzet. Die unieke positie, maatschappelijke rol en het brede takenpakket verplichten ons om zorgvuldig met het orkest om te gaan. Zeker na jaren waarin veel cultuurgelden in de Randstad terechtkwamen en de regio het nakijken had.

Veel schade

Het toekennen van meer of minder geld mag dan een politieke keuze zijn, behoorlijk bestuur is dat niet. Daaronder valt een zorgvuldige procedure, deugdelijke motivatie en kraakheldere wijze van informeren en communiceren. Aan alle drie heeft het de afgelopen maanden ontbroken, met veel schade tot gevolg.

De provincie Noord-Brabant doet er dan ook goed aan haar besluit te heroverwegen en met het orkest en al zijn subsidiepartners tot een gedragen voorstel te komen voor de toekomst van de Philharmonie Zuidnederland. Een orkest dat Brabant lief heeft.

Marcel Deryckere (CDA) en Patricia Brunklaus (GroenLinks) zijn lid van Provinciale Staten van Noord-Brabant.

Opinie Stijn Steenbakkers – ‘Gevraagd: een luis in de pels’

Gastopinie van Statenlid Stijn Steenbakkers in het Brabants Dagblad d.d. 23 september 2017.

Gevraagd: een luis in de pels

Elke week vliegen bij Statenleden de miljoenen zo ongeveer om de oren. Een pleidooi voor een onafhankelijk financieel adviseur.

De Duitse dichter en schrijver Goethe zei eens dat ‘het niet genoeg s, te weten, maar dat men ook moet toepassen; het niet genoeg is, te willen, maar dat men ook moet handelen’. Met die wijsheid in het achterhoofd schrijf ik deze opinie. De afgelopen jaren zijn er uitgebreide rapporten van de Zuidelijke Rekenkamer (het orgaan dat Provinciale Staten van Brabant en Limburg helpt met hun taken) geweest die bevestigen dat de controle vanuit Provinciale Staten, met name op financiële/technische onderwerpen, beter kan. Deze rapporten waren over een breed scala aan onderwerpen: van de investeringsfondsen tot de grondexploitaties, van onderdelen van jaarrekeningen tot het beleid rondom de verkoop van deelnemingen. Een rode draad in deze rapporten was: Provinciale Staten van Brabant, versterk uw controle!

Belangrijke keuzes

Dat deze controle beter kan en Provinciale Staten hierin ondersteund moet worden, is op zichzelf ook niet gek. Je hebt te maken met 55 deeltijdpolitici met verschillende achtergronden bij wie de miljoenen zo ongeveer iedere week om de oren vliegen. Ter illustratie, we nemen besluiten over de Brabantse begrotingen en jaarrekeningen. In 2017 was de begroting bijvoorbeeld circa 1,3 miljard euro groot. Dit geld is verdeeld en wordt uitgegeven over honderden programma’s, regelingen en deelnemingen. Dan hebben we het nog niet eens over wat er in alle investeringsfondsen gebeurt (ook nog eens circa 1 miljard) of welke belangrijke keuzes er gemaakt moeten worden ten aanzien van de spaarpot (geld uit de verkoop van Essent) van Brabant.

En het enge is dat ik soms het gevoel heb dat niet iedereen in Provinciale Staten weet of kan overzien wat de financiële consequenties zijn van de beslissingen die men heeft genomen. Beslissingen waar men wel eindverantwoordelijk voor is! Dat voelt voor mij alsof je in een vliegtuig op 10 kilometer hoogte zit, naar de cockpit loopt, er niemand aantreft, maar wel constateert dat het vliegtuig op de automatische piloot doorvliegt. Dat kan niet.

Ik vind dat er in brede zin onvoldoende financiële controle door ons als Staten is. Wellicht ingegeven vanuit een verleden dat er altijd voldoende financiële middelen aanwezig waren in Brabant (helemaal na de verkoop van Essent). Dat geld kan er misschien wel zijn, maar er is volgens mij niets mis met zuinigheid en kritisch kijken hoe Brabants belastinggeld wordt uitgegeven. Zuinigheid is immers gebaseerd op het principe dat iedere rijkdom zijn grenzen kent. En met aanhoudend lage rentestanden en het verplicht schatkistbankieren (Brabants belastinggeld moet verplicht bij het ministerie van Financiën worden gestald) is ook die grens voor Brabant in zicht.

“Zuinigheid is immers gebaseerd op het principe dat iedere rijkdom zijn grenzen kent”

Eerste stap

Gelukkig ziet ook Provinciale Staten zelf dat er verbeteringen in haar financieel controlerende taak moeten komen. Een nieuwe manier van behandelen en voorbereiden van de jaarrekening is al doorgevoerd. Een goede eerste stap, maar dit gaat naar mijn idee lang niet ver genoeg.

Ik pleit voor een onafhankelijk fulltime financieel adviseur van Provinciale Staten. Die gevraagd en ongevraagd dossiers tot in detail licht en Provinciale Staten op eventuele zere plekken wijst. Een luis in de pels. Niet vanuit wantrouwen, maar vanuit een besef dat een permanente kritische blik voor heel Brabant gewenst is. Iemand die ten bate van Provinciale Staten meekijkt op specifieke financieel-technische dossiers. Iemand die onafhankelijk staat ten opzichte van Gedeputeerde Staten (het dagelijks bestuur) en losstaat van de ambtelijke hiërarchie. Afgelopen jaar is dit meerdere malen geprobeerd, maar keer op keer werden deze moties weggestemd, elke partij om de voor hen moverende redenen.

Maar naar mijn idee moet er nu iets gebeuren, anders kan ik de conclusies van het volgende rapport van de Zuidelijke Rekenkamer al raden! We weten allemaal dat het beter moet. Mijn oproep aan alle partijen is dan ook: denk aan de woorden van Goethe: ‘het is niet genoeg, te weten, men moet ook toepassen; het is niet genoeg, te willen, men moet ook handelen’.

 

 

Opinie Marcel Deryckere: ‘Snelheid provincie niet tactvol bij herindeling Haaren en Nuenen’

Gastopinie van Statenlid Marcel Deryckere in het Brabants Dagblad d.d. 4 augustus 2017.

‘Snelheid provincie niet tactvol bij herindeling Haaren en Nuenen’

Gemeenten én hun inwoners moeten besluiten over hun toekomst. Niet Den Haag of de provincie. Zij hebben niet de legitimiteit. Herindelen doe je van onderaf, vindt Marcel Deryckere, lid van Provinciale Staten Noord-Brabant voor het CDA.

Vorige maand dook het weer op: het H-woord. H-woord? Ja: Herindelen. Ditmaal in Nuenen, waar de provincie de regie over het herindelingsproces van de gemeente heeft overgenomen.

Wie de jaren negentig heeft meegemaakt, kan zich ongetwijfeld de herindeling uit 1997 herinneren. In dat jaar werden 49 Brabantse gemeenten opgeheven. Traditionele dorpen werden buitenwijken van (middel)grote steden. Dit moest leiden tot lagere kosten en effectiever en efficiënter besturen. Kortom, tot gemeenten die beter presteren en financieel gezonder zijn.

Het jaar 1997 markeerde een van de grootste, maar beslist niet de laatste herindeling in de recente Brabantse geschiedenis. Vorig jaar gingen Schijndel, Veghel en Sint-Oedenrode op in de nieuwe gemeente Meierijstad. In 2019 fuseren Aalburg, Werkendam en Woudrichem tot de gemeente Altena. Onder meer Haaren en Nuenen zijn gemeenten waar op dit moment herindelingstrajecten lopen.

Niet tactvol

Herindelingen verlopen zelden geruisloos en zonder slag of stoot, zoals we recent uit de media konden vernemen ten aanzien van Haaren en Nuenen. De provincie vindt dat beide gemeenten te weinig haast maken en is zich met het proces gaan bemoeien. Niet erg tactvol. Gevolg: verontwaardigde gemeentebestuurders en miskende inwoners. Zij noemen het besluit van de provincie ‘onzorgvuldig’. Ik noem het ook ‘on-Brabants’. In Brabant horen we het samen te doen en niet eenzijdig af te dwingen. Vanuit het centrale belang van de inwoners.

Dat herindelen emoties losmaakt, of zelfs weerstand oproept, is niet vreemd. Het voelt immers als gedwongen verhuizen zonder van je plek te komen. Je adres, huis, buren en paspoort blijven hetzelfde, maar je raakt tegelijkertijd ‘iets’ kwijt. Iets ongrijpbaars. Iets dat je vaak pas mist als je het niet meer hebt. Je zou het ‘identiteit’ kunnen noemen.

Herindelen betekent niet alleen afscheid nemen van een stukje ‘identiteit’, maar óók het inleveren van kleinschaligheid. Opgaan in een groter geheel, in een andere gemeente. En dus anoniemer zijn, slechts één van velen. De vrees voor aantasting van het dorpse karakter van ‘ons kent ons’ is denk ik niet onterecht.

Des te wranger dat we in Brabant aan de ene kant géén megastallen willen, maar aan de andere kant wél megagemeenten. Het liefste van 100.000 inwoners of meer. Maar groter is niet per se beter, maken de fiasco’s bij zorg- en onderwijsinstellingen ons duidelijk. Tóch schreven VVD en PvdA deze ambitie in 2012 nog in hun regeerakkoord. Een plek waar zo’n ambitie mijns inziens absoluut niet thuishoort.

Ik vind namelijk dat gemeentelijke herindelingen van onderaf moeten komen. Gemeenten én hun inwoners zijn degenen die gezamenlijk moeten besluiten over hun toekomst. Niet Den Haag of de provincie, want zij hebben niet de (democratische) legitimiteit om deze keuze te mogen maken. Alleen in extreme gevallen van bestuurlijke of financiële wanorde horen zij in te grijpen. Bij Haaren en Nuenen is daarvan geen sprake.

Te lang

De provincie Noord-Brabant nam echter tóch het besluit om de regie over de herindelingen in deze twee gemeenten over te nemen van de gemeenten zelf. Een onverwachte ingreep die gemeentebesturen en inwoners buiten spel zet. En alleen omdat het de provincie te lang duurt.

Zo’n besluit zegt meer over het onvermogen van de provincie dan over het vermeende onvermogen van de gemeenten in kwestie. Met drammen en dicteren forceer je een uitkomst op korte termijn, met tijd en geduld bereik je resultaat op lange termijn.

Ik kies voor het laatste. Want je verliest misschien tijd, maar je wint draagvlak. En iedere bestuurder weet: draagvlak komt te voet en gaat te paard. Daar moeten we zorgvuldig naar op zoek gaan en heel zuinig op zijn. Ik hoop dat de provincie dat ook inziet en Haaren en Nuenen alsnog over hun eigen toekomst laat beslissen. Dat zou pas echt ‘veerkrachtig bestuur’ zijn.

Opinie Ton Braspenning: ‘Verduurzamen met boerenverstand’

Opinie van Statenlid Ton Braspenning in Nieuwe Oogst d.d. 24 juni 2017.

Verduurzamen met boerenverstand

Provincie Noord-Brabant besluit op 7 juli over een omvangrijk en ingrijpend pakket maatregelen die de landbouw moeten verduurzamen. De grootste hervorming van de agrarische sector in jaren is echter zeer omstreden.

Ton Braspenning
Melkveehouder en lid van Provinciale Staten Noord-Brabant voor het CDA

Met gezond boerenverstand kan ik er niet bij wat de provincie voorstelt. Het effect is namelijk tegengesteld aan wat we beogen. Zo is het milieu-effect minimaal en wordt dit vervolgens teniet gedaan door de stikstofruimte te verplaatsen naar de industrie en logistiek.

En in plaats van meer verduurzaming, ruimte voor familiebedrijven én een beter verdienmodel resulteert het beleid in meer schaalvergroting, familiebedrijven die omvallen en gezinnen die door de armoedegrens gaan.

In het voorstel krijgen boeren in plaats van tot 2028 nog maar tot 2022 de tijd om hun stallen aan te passen aan de nieuwe milieueisen (minder stikstofuitstoot). Eisen die zo streng worden, dat er geen stallen bestaan die eraan kunnen voldoen. En met de adder onder het gras dat de vergunningen al vóór 2020 rond moeten zijn.

Financiering door baken is lastig door eerdere milieu-investeringen en lage prijzen. Een bank zal een terugbetalingsgarantie eisen, wat leidt tot schaalvergroting. Dit wordt bevestigd door het onderzoek naar het effect van dit pakket maatregelen.

Boven op de versnelde, kostbare milieueisen moeten boeren die oude, milieuvervuilende stallen willen vervangen door nieuwe, milieuvriendelijkere stallen, betalen voor het afbreken van stallen bij gestopte boeren. Dit stalderen is kostbaar en een hoge financiële drempel om het bedrijf voort te zetten.

Om deze kosten te omzeilen zullen veel uitbreiders kiezen voor een satellietlocatie, wat de maatschappelijke inbedding van een bedrijf niet altijd ten goede komt.

Mestverwerking of export van mest is voor veel boeren eveneens een hoge kostenpost. In Noord-Brabant zijn voor boeren te weinig mogelijkheden om mest kwijt te raken. De provincie wil in haar nieuwe plannen de mestverwerkingscapaciteit uitbreiden, met als limiet het Brabantse mestoverschot.

Deze limiet is een gemiste kans. Uit milieuoogpunt zou je namelijk álle mest willen verwaarden tot een volwaardige kunstmestvervanger. De provincie zou dit moeten faciliteren.

De provincie motiveert een groot deel van haar plannen door te stellen dat minder stikstofuitstoot door boeren leidt tot een betere bescherming van de Brabantse natuur. Maar eigen onderzoek van de provincie toont aan dat de vermindering die nu al is gehaald, ongeveer 20 procent, niet is terug te zien in minder stikstof op natuur. Daar is tot op heden geen verklaring voor.

De provincie bepleit ook dat minder stikstofuitstoot door boeren ten goede moet komen aan meer uitstoot door andere bedrijfssectoren of wegen. Wat schiet de natuur hier feitelijk mee op?

De provincie roept gemeenten, banken en pensioenfondsen op om boeren te ‘helpen’ bij het verduurzamen. Ze zouden allemaal geld moeten storten in een op te richten investeringsfonds. Maar hierover staat nog niets op papier. Onzeker is of deze onmisbare partners überhaupt bereid zijn om mee te doen.

Mijn conclusie: hoe goedbedoeld de plannen van de provincie ook zijn, de plannen zijn praktisch, financieel en juridisch onhaalbaar. Duurzaamheid is gebaat bij economisch perspectief op korte én op lange termijn. Laten we deze lange termijn niet uit het oog verliezen, want ook het platteland van morgen is een platteland met boeren.

Opinie Ton Braspenning & René Kuijken over toekomst veehouderij

Voor de boeren in Brabant is het vijf voor twaalf.

De landbouw moet vernieuwen én verduurzamen. Dat vindt ook het CDA. De samenleving verandert en stelt nu andere eisen aan volksgezondheid, milieu en dierenwelzijn dan 50 jaar geleden. Terecht.

Tegelijkertijd hebben we, in Nederland, meer dan 17 miljoenen monden te voeden. Alleen al in Brabant dragen duizenden boerenfamilies bij aan die enorme opgave. Ook zij zien in dat het boerenbedrijf van vandaag niet hetzelfde is als dat van morgen.

Vernieuwen en verduurzamen doe je echter wel op een eerlijke manier. Lange tijd hadden wij het vertrouwen dat VVD, SP, D66 en PvdA, de partijen die het nu in Brabant voor het zeggen hebben, dat óók voor ogen hadden.

Vernieuwen en verduurzamen vraagt tijd, geld en draagvlak. Van de provincie kregen de Brabantse boeren tot 2028 de tijd om de kostbare maatregelen te nemen, die nodig zijn om de uitstoot van stikstof te verminderen. Een krappe maar haalbare datum, vond het CDA. Te meer omdat veel boeren al grote milieu-investeringen hebben gedaan, de marges in de sector dusdanig klein zijn dat er weinig investeringsruimte is én omdat een groot aantal boeren waarschijnlijk versneld stopt.

Maar nu: nu vervroegt de provincie zonder inspraak en overleg de deadline naar 2020. Dit dwingt veel boeren om vervroegd te kiezen: dure extra investeringen doen óf stoppen. Zulke ingrijpende regels maar liefst 8 jaar naar voren halen: in geen enkele andere sector zou dát kunnen.

Van de SP, PvdA en D66 kan je dit verwachten. Maar wat doet de VVD? Ooit waren de liberalen voor minder regels en meer ondernemerschap, nu helpen ze bij het omvallen van familiebedrijven en de leegloop van het platteland.

Boerenzoons en -dochters zien namelijk het bedrijf van hun ouders aan telkens veranderende regels en negatieve publiciteit ten onder gaan. Zij maken andere toekomstplannen en willen het bedrijf niet overnemen. De meeste boeren hebben om aan de nieuwe eisen te voldoen een lening van de bank nodig. Banken geven deze lening alleen maar, wanneer de boeren deze kunnen terugbetalen. Dit kan vaak alleen maar door bedrijfsuitbreiding. Maar naast de extra vroege milieu-investeringen wil de provincie nu óók nog eens dat boeren die oude milieuvervuilende stallen willen vervangen door grotere milieuvriendelijkere stallen gaan betalen voor het afbreken van stallen bij gestopte boeren. Dit zorgt voor een dusdanige financiële drempel dat veel boeren worden gedwongen om te stoppen en dat veel boerendochters en -zoons er niet over piekeren om het bedrijf over te nemen.

Noemen we dit vernieuwen en verduurzamen? Het CDA niet. Wij zien aan de ene kant een sector die dichtgeregeld wordt, die moet vechten voor haar imago, en die niet weet waar zij aan toe is a.g.v. nieuwe en telkens veranderende regels. We zien keihard werkende mensen voor een loon tegen de armoedegrens. Aan de andere kant zien we een provincie die zich een uiterst onbetrouwbare overheid toont. De hardwerkende boer krijgt de rekening én het stigma van vervuiler opgeplakt.

De provincie vat haar landbouwbeleid samen als People – Planet – Profit. Het CDA duidt het als Oneerlijk – Onbetrouwbaar – Onzorgvuldig. Zo verdwijnen niet alleen de boeren, maar ook het boerenverstand uit onze provincie.

Ton Braspenning en René Kuijken zijn beiden Lid van Provinciale Staten Noord-Brabant voor het CDA.

Opinie Stijn Steenbakkers over Attero

Gastopinie van Statenlid Stijn Steenbakkers in het Brabants Dagblad van 16 september 2016 (pagina 16)

Van 170 miljoen naar een miljard: een neoliberaal sprookje

Buitensporige winst op ons afval

Was de verkoop van Attero wel zo’n ‘uitstekende deal’? Goed dat er een onafhankelijk onderzoek komt.

Stijn Steenbakkers


GASTOPINIE

Stel: u verkoopt uw huis eind 2013 voor 170.000 euro. Binnen anderhalf jaar vindt de nieuwe eigenaar ‘toevallig’ 183.000 euro spaargeld in een oud keukenkastje en zet dit op zijn spaarrekening. Verder investeert hij niet veel in het huis: koopt geen grond bij, vervangt de kozijnen niet en alles blijft enkel glas.

Toch wil de nieuwe eigenaar van al zijn buren extra geld zien. Vanwege ‘goed gedrag’. Ook lijkt het erop dat de nieuwe eigenaar eind 2016 zijn huis voor meer dan 1 miljoen euro kan verkopen.

Klinkt bizar? Toch vat dit verhaal de geschiedenis van afvalverwerker Attero goed samen. Met Brabant als grootste aandeelhouder verkocht een groep provincies en gemeenten Attero – voorheen Essent Milieu – in 2013 voor slechts 170 miljoen euro aan investeringsmaatschappij Waterland. Meteen na de verkoop trekt deze nieuwe eigenaar voor miljoenen euro’s extra leningen aan voor Attero, om dit geld (zo’n 183 miljoen euro) vervolgens aan zichzelf uit te keren. De gehele aankoopprijs is dus in anderhalf jaar tijd terugverdiend.

Bedankje

Attero verwerkt voor veel gemeenten afval. Omdat de inwoners hun afval steeds beter scheiden, kreeg Attero minder afval dan afgesproken in de contracten. Attero’s eigenaar Waterland deelt daarom boetes uit aan gemeenten die te weinig afval aanleveren. Boetes die de belastingbetaler betalen. Een bedankje voor het scheiden van uw afval.

Het kan nóg gekker: de provincie meldt deze week dat Attero alweer door Waterland wordt verkocht. Volgens Reuters aan Chinezen, die er een miljard euro voor over zouden hebben. Desondanks houdt Brabants verantwoordelijk gedeputeerde Pauli vol dat de verkoopprijs van 170 miljoen euro een ‘uitstekende deal’ was. Ik zet daar mijn vraagtekens bij.

Het Attero-dossier roept veel meer vragen op. Vragen die het CDA herhaaldelijk aan Gedeputeerde Staten heeft gesteld. Hoe kan het dat de nieuwe eigenaar zo buitensporig veel dividend uitkeert aan zijn aandeelhouders? Zitten er extra risico’s aan de enorme schuldpositie bij Attero en mag dit zomaar? Was de verkoopprijs wel goed? Waarom krijgen gemeentes boetes van Attero vanwege goed gedrag?

Antwoord krijgen blijkt moeilijk, mede omdat een aantal essentiële documenten geheim zijn. Statenleden uit Brabant en Limburg pleitten onder andere daarom voor een onafhankelijk onderzoek door de Zuidelijke Rekenkamer (ZRK). Gisteren werd bekend dat dit onderzoek er komt. Gelukkig! De ZRK gaat onderzoeken of de verkoop (en waardering) van Attero juist en zorgvuldig is verlopen én of Provinciale Staten goed zijn geïnformeerd. De resultaten worden begin 2017 verwacht.

Wat die uitkomsten ook zullen zijn, feit blijft dat PS unaniem, op basis van de toen beschikbare informatie, vóór verkoop van Attero hebben gestemd, met veel op- en aanmerkingen. Tegen PS werd gezegd: afval verwerken is geen overheidstaak; de markt kan het goedkoper en beter; en er wordt een goede prijs betaald.

Maar de kernvraag is fundamenteler. Als afvalverwerking geen (kern)taak van de overheid is, waarom dan wel voor de markt? En is een investeringsmaatschappij met een kortetermijnstrategie wel de juiste aandeelhouder? Op de lange termijn kent de afvalbranche grote gevolgen voor maatschappij en milieu. Denk aan het opslaan van afval.

Ik vind dat de economie en politiek van vandaag zijn doorgeschoten in het neoliberale marktdenken; het hardnekkige geloof dat een volledig vrije markt alles beter kan. In een aantal gevallen klopt dit, maar in vele zeker niet. Het is een achterhaalde opvatting uit de 20e eeuw, waar onder andere Ruttes VVD nog steeds trots op is. Ten onrechte.

Het moet gaan om wat optimaal is voor de gehele samenleving op langere termijn. Dienstbaarheid aan de echte, reële economie. Het CDA heeft niets tegen de vrije markt, niets tegen investeringsmaatschappijen en niets tegen mooie winsten maken. Neoliberale excessen moeten echter verdwijnen. Terug naar het gezond verstand, terug naar een op lange(re) termijn gerichte economie, terug naar het derde principe van Sybrand Buma: een eerlijke economie!

Stijn Steenbakkers is Statenlid in Brabant voor het CDA en kandidaat-Tweede Kamerlid

Klik op de volgende link om deze opinie in het Brabants Dagblad in originele opmaak terug te lezen: BD Gastopinie Stijn Steenbakkers.