Berichten

Tweede Sint-Janslezing – Inleiding door Stijn Steenbakkers

Op 15 februari jl. verzorgde Stijn Steenbakkers, oud-Statenlid en thans wethouder voor het CDA in de gemeente Eindhoven, de inleiding voor de Tweede Sint-Janslezing in de Sint-Janskathedraal te ‘s-Hertogenbosch. Zijn spreektekst is hieronder te vinden.

Spreektekst1 Stijn Steenbakkers – Wethouder Gemeente Eindhoven
Tweede Sint-Janslezing
(15-02-2019)

Inleiding

Monseigneur, Dames en Heren,

De verkiezing van Trump, de protesten van de gele hesjes in Frankrijk, en het rapport van onze eigen Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid onder de titel De val van de middenklasse?.

We leven in een bijzondere tijd. Ik vind het een eer dat u mij juist in deze tijd heeft gevraagd om te spreken over mijn visie op onze economie en samenleving. Monseigneur, dank voor de uitnodiging!

Ik zal gedurende deze lezing schakelen tussen de ontwikkelingen op een meer macroniveau en op het Brabantse niveau, meer specifiek Zuidoost-Brabant. Waar ik als wethouder Economie & Brainport van de stad Eindhoven de economische ontwikkelingen in (Zuidoost-)Brabant nauwgezet volg. In deze lezing geef ik u vanuit mijn persoonlijke kant enkele diepere bespiegelingen over de uitdagingen in onze economie en samenleving die ik op dit moment zie, en probeer daarbij ook meteen een begin van een perspectief te schetsen. Ik doe dit op basis van wat op mijn hart ligt n.a.v. artikelen, boeken die ik heb gelezen, ervaringen en gesprekken die ik in de afgelopen jaren heb gehad. In het besef dat dit verre van volledig is.

15 februari is in economisch opzicht een bijzondere dag. In de wereldgeschiedenis vonden er enkele fundamentele omwentelingen plaats.

  • 15 februari 1864 is de oprichtingsdag van misschien wel het bekendste bedrijf van het Koninkrijk der Nederlanden. Op die dag in 1864 kocht de toen 22-jarige Gerard Adriaan Heineken namelijk brouwerij ‘De Hooiberg’ in Amsterdam. Een omwenteling. Het begin van de firma Heineken. Nu zijn we hier in Brabant gelukkig gezegend met een ander heerlijk biermerk, gemaakt door een fantastisch Brabants familiebedrijf, maar toch: een Nederland zonder Heineken, zegt zelfs deze Brabander, zou een gemis zijn.
  • Exact 72 jaar later, op 15 februari 1936, vond een andere economische omwenteling plaats op Europees niveau. In Duitsland, dat destijds gebukt ging onder een verschrikkelijk bewind, vond de opening van de eerste fabriek van Volkswagen plaats. Ik heb getwijfeld of ik deze gebeurtenis moest noemen, juist vanwege die donkere kant die er ook onlosmakelijk mee verbonden is. Tegelijkertijd heeft het beschikbaar komen van een auto voor de gewone man onze economie in de 20e eeuw structureel veranderd.
  • En nog maar 14 jaar geleden, op 15 februari 2005, weer zo’n economische omwenteling, maar dan op wereldniveau. De oprichtingsdag van YouTube. Een compleet nieuwe sector, waardoor bestaande industrieën, zoals de muziekindustrie, structureel werden veranderd

Centrale boodschap

En nu is het weer 15 februari, 15 februari 2019.

  • In Amerika is de ‘American Dream’ op veel plekken vervangen door de ‘Fear of Falling’. De angst om te verliezen wat verworven leek. De opkomst van het gevoel dat harder werken niet altijd leidt tot een beter bestaan. Voor de Verenigde Staten is dit gevoel ook een omwenteling.
  • In Frankrijk lopen al maandenlang grote groepen mensen in gele hesjes. Zij protesteren tegen de overheid en willen verandering, het beter krijgen. Ook zij willen een omwenteling.
  • In ons eigen land, zo vertelde minister Hoekstra recent, vindt 85% van de mensen dat het hen economisch goed gaat, maar nog maar 35% denkt dat hun kinderen het financieel beter gaan krijgen dan zijzelf. Nog nooit was deze kloof zo groot, ook een omwenteling.

Allemaal fundamentele ontwikkelingen. Ondertussen worstelen overheden met het vinden van passende en hedendaagse antwoorden. Ook de vrije markt heeft absoluut geen kant en klare oplossing. Zowel markt als overheid zijn naar mijn idee, om het maar economisch te benoemen, in een zekere zin failliet. Zij kunnen dit niet alleen in de bestaande structuren oplossen.

Daarom geloof ik dat we vandaag de dag wéér een omwenteling nodig hebben. Een andere omwenteling. Een meer fundamentele. Eén in de structuur. Volledig beseffend dat ook mijn perspectief niet alomvattend is en slechts een deel van of aanzet tot de totaaloplossing. Maar ik geloof wel dat dit een begin van een perspectief is én dat we er mee moeten beginnen.

Ik pleit voor een fundamentele omwenteling door de informele kant van onze economie te versterken, met de ‘triple helix’ samenwerking als middel. De informele economie is alles wat niet tot de markt en tot de overheid behoort. De Italiaanse econoom Bruni gebruikt de term ‘civiele economie’. ‘Een economie’, zoals hij zegt, ‘waarin de intrinsieke waarde van intermenselijke relaties economisch wordt erkend’. Een economie is meer dan wat meetbaar is in geld.’ De triple helix samenwerking – de samenwerking tussen overheid, ondernemers en onderwijs verenigd in een onafhankelijk orgaan waar de hoofdlijnen van het economisch beleid gezamenlijk in gedragenheid worden bepaald – is hier naar mijn idee een perfect hedendaags voorbeeld van. Alle partijen zetten zich daar vrijwillig in, in onderlinge afhankelijkheid, voor het groter belang en de bredere economische en maatschappelijke ontwikkeling.

Deze triple helix samenwerking zou naar mijn idee op alle niveaus gestalte kunnen krijgen: op lokaal, regionaal, nationaal en wellicht zelfs Europees niveau. Waarbij ik ervoor pleit dat de centrale overheid dit in ieder geval stimuleert en ondersteunt op lokaal en regionaal niveau.

En Brabant kan hierbij met zijn historie en ervaringen in triple helix samenwerkingen zoals Brainport, AgriFood Capital en Midpoint een belangrijke rol vervullen.

De huidige economische situatie

Hoe kom ik hierop? Ik neem u mee in mijn diepere analyse.

Na de crisis van 2008 kennen we een fantastische economische groei in Nederland, over de laatste vier jaar gemiddeld meer dan 2,0% per jaar. De werkloosheid liep in de crisis flink op met als piek 7,4% in 2014, om vervolgens vanaf 2015 weer te dalen naar 4,9% eind 2017. Historisch gezien zeer laag.

Voor Brainport Eindhoven golden bijna Chinese economische groeicijfers. In 2017 4,9% groei, ver boven het landelijk gemiddelde. Met een werkloosheidspercentage van 4,2%, iets onder het landelijk gemiddelde. Op dit moment staan er alleen in de Brainport regio bijna 13.000 vacatures open die we niet zomaar krijgen ingevuld. Vaak in de high tech maakindustrie, op alle niveaus: wo, hbo en mbo. Dus zowel de knappe koppen als de gouden handjes.

We kunnen dus stellen dat het, op zijn Brabants gezegd, ‘keigoed’ gaat met onze economie. Niks meer aan doen. Strik eromheen en door. Toch?

Laat ik beginnen met te zeggen dat er natuurlijk veel dingen goed gaan in onze economie en samenleving, en dat we daar met elkaar echt trots op mogen zijn. Maar in de diepere lagen van onze economie en samenleving broeit en speelt er veel meer. En dit is breed in de westerse wereld. Ik had het er al over:

  • In Amerika de ‘Fear of Falling’.
  • In Frankrijk de gele hesjes.
  • In Nederland de zorgen om de financiële toekomst van onze kinderen.

Kim Putters, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, verwoordde dit gevoel in Nederland naar mijn idee heel goed: ‘Met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht’.

Analyse

Hoe komt het nu dat we zulke fundamentele vragen over de houdbaarheid van onze economie/samenleving hebben? Het is natuurlijk moeilijk om hier een eenduidig antwoord te geven en ik zal verre van volledig zijn, maar laat ik hierop mijn analyse en visie geven.

Caroline de Gruyter beschreef het in haar column in NRC, o.a. geïnspireerd op de Canadese hoogleraar Mintberg, laatst mooi: ’Stelt u zich een kruk op drie poten voor.’ Stevig en in balans op de grond. Historisch gezien kon je onze economie/samenleving zien als een kruk, met drie stevige poten: de markt, de overheid en de informele sector. Markt en overheid behoeven geen verdere uitleg. Tot de informele sector behoorden de vele verenigingen, kerken, clubjes, vakbonden, gilden, product- en bedrijfschappen, buurtgezelschappen en ga maar door. Juist in onze Brabantse economie/samenleving was deze informele sector zeer aanwezig. En nog steeds zien we dit aspect in Brabant sterk terug. Houdt u dit krukje nu even vast in uw gedachten en zie hoe twee historische ontwikkelingen begonnen te zagen aan twee van de krukpoten.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog ontstond op het politieke toneel een decennialange focus op de strijd tussen kapitalisme en communisme. In deze intensieve strijd tussen markt en overheid, tussen links en rechts, tussen individu en collectief is veel wat noch tot de markt noch tot de overheid behoort in de afgelopen decennia langzaam steeds meer in het politieke verdomhoekje geraakt. De informele sector. Het cement tussen markt en overheid. De sector die zowel overheid als markt kon temmen. Het belangrijkste verschil was dat in die informele sector men informeel sterk met elkaar verbonden en afhankelijk was. Men keek naar elkaar om, zorgde voor elkaar. Er golden informele regels die zowel voor de markt als voor de overheid onlogisch waren. De Italiaanse econoom Bruni zou zeggen dat intermenselijke relaties hier economisch werden gewaardeerd. Mensen deden dingen voor elkaar die niet mogelijk waren voor markt of overheid. Twee voorbeelden.

  1. Een voetbalvereniging die een nieuwe accommodatie nodig had in economische hoogtijdagen. Op de ‘markt’ kon het niet voor het geld dat ze hadden gereserveerd. Een aantal aannemers, die de club een warm hart toedroegen, ‘konden het wel’ uit liefde voor de club. Het enige wat ze wilden was het gereserveerde geld van de gemeente en dan regelden ze het allemaal zelf wel. In het verleden kon dit. Maar tegenwoordig is dit moeilijker. Veel is dichtgeregeld: aanbestedingsregels, procedures, welstandseisen, bestemmingsplannen etc. Terwijl wanneer dit wel zou kunnen de informele sector de markt ‘te slim af’ kan zijn.
  2. De bedrijfshal en het productiemateriaal van een ondernemer die zwaar waren beschadigd door een blikseminslag en wateroverlast. In plaats van te wachten op het verzekeringsgeld werd de ondernemer door concurrenten en andere bedrijven direct geholpen aan een nieuwe ruimte om te kunnen blijven produceren tot het gebouw werd gemaakt. Medewerkers en mensen uit de buurt werkten gratis mee aan de verhuizing. De overheid bood steun en keek actief mee hoe ze zo flexibel mogelijk met de regels kon omgaan in deze bijzondere situatie.

Allemaal voorbeelden van een informele sector en samenwerking tussen partijen waarvan er gelukkig nog steeds veel mooie voorbeelden in Brabant zijn. Maar door de voortdurende focus op markt-overheid, links-rechts, hebben we deze krukpoot in politieke zin wel verwaarloosd en wellicht onbewust beschadigd. ‘De economie’ werd meer van de andere twee actoren, van de markt en/of de overheid.

Deze machtsverhouding was in de meeste westerse samenlevingen, ook de Nederlandse, tot ca. twintig jaar geleden minder merkbaar. Waarom?

Hier komt Mintzberg met een interessante analyse. Er bestonden namelijk nog twee dominante marktordeningsideologieën: het communisme en het kapitalisme. Zij vochten op het wereldtoneel om dominantie. Hoewel in de meeste westerse landen het kapitalisme, de markt, op meer aanhang kon rekenen bestond er óók in westerse landen een grote groep aanhangers van het communisme. Door de aanwezigheid van een sterke andere ideologie, in dit geval het communisme, werd het kapitalisme, de markt, getemd. En feitelijk werd de rol van de overheid hierdoor versterkt. De scherpe randjes gingen zo van het kapitalistische systeem af. Maar toen het communisme wereldwijd langzaam aftakelde, met uiteindelijk de val van de Muur, veranderde dit. Het kapitalisme had ‘gewonnen’ en geen concurrentie meer. En toen ging ‘de markt’ los…

  • Met een onuitputtelijk geloof in deregulering, een blind vertrouwen in de vrije markt en het heilige geloof in groei, ‘no matter what’, evolueerden onze economie en samenleving tot wat zij nu zijn.
  • De dominantie van de markt. Waarbij de overheid de markt niet of nauwelijks meer kan temmen.
  • Het is schokkend, maar in veel landen is de markt nu even machtig als de staat destijds in het Oostblok was.
  • En dit systeem loopt, naar mijn idee, tegen zijn grenzen aan.

Oordeel

En nu weer terug naar het krukje van De Gruyter. Er zitten nog steeds drie poten onder. De krukpoot van de markt staat fier overeind, maar bij de andere twee zitten stevige scheuren. Het evenwicht is zoek.

Mensen glijden van het krukje af. Glijden uit onze economie/samenleving. Voelen zich er geen onderdeel meer van. Voelen zich, soms, machteloos.

Het is naar mijn overtuiging dit effect, deze ontwikkeling, die leidt tot de fundamentele bestaanszekerheidsvragen.

Dit zijn de gele hesjes. De economie, de samenleving. Ze voelen zich er geen onderdeel meer van. Sommige voelen zich machteloos. Het staat ver weg.

Dit is ook te zien in de betekenis van het woord ‘economie’ nu. Lees het nieuws met het woord economie erin: het gaat over financiële markten, rentes, winsten etc. In de Dikke van Dale staat letterlijk:

  1. De wetenschap die het menselijk streven naar welvaart tot voorwerp heeft.
  2. Het geheel van financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.

Deze definitie staat ver weg van mensen. Er is behoefte aan meer geborgenheid, aan een economie waar mensen zich meer nadrukkelijk onderdeel van voelen. Is de markt dan slecht? Nee, zeker niet. We hebben de markt hard nodig. Maar de markt is nu wel heel dominant geworden.

Zoals ik al in mijn inleiding en bij mijn centrale boodschap heb gezegd, denk ik dat fundamentele versterking van de informele economie via de triple helix samenwerking bij economisch beleid kan bijdragen aan een oplossing. Waarom zeg ik dit en wat heeft mij hierbij geïnspireerd?

Inspiratie: leren uit het verleden

Wat is economie? De oorsprong: humanisme en katholicisme

Zijn er bij het zoeken naar een oplossing inspiratiebronnen? Ongetwijfeld zijn er in vele overtuigingen/religies heel mooie inspiratiebronnen te vinden. Ook hier wil ik zeker niet de schijn wekken volledig te zijn. Maar voor mij zijn er twee die eruit springen: het humanisme en het katholicisme.

Het humanisme. Tijdens mijn middelbareschooltijd op Bernrode, hier in de buurt in Heeswijk-Dinther, leerden we dat het Griekse woord ‘oikos’ huis betekende. Dit stond overigens soms op de muren in de ‘chambretjes’ gekrast. Wellicht omdat de studenten van die tijd wel eens heimwee hadden? Klopt dit Monseigneur? En daarna leerden we dat dit eigenlijk het basiswoord was voor ‘oikonomia’, het equivalent van economie nu. ‘Oikonomia’ bestaat uit de Griekse woorden ‘oikos’ (huis) en ‘nomos’ (wet/regel). In het Grieks betekende ‘oikonomia’, economie, dus niets meer of minder dan huishoudkunde. Bij de Grieken had het woord economie dus een zeer kleinschalige en dichtbije betekenis.

Dit strookt ook met wat we zien in de deugdenethiek van Aristoteles uit die tijd. Hij verstond onder oikonomia ‘alles wat nodig is om je doel/de praxis te verwezenlijken’. Het streven naar sec meer welvaart of geld, puur als doel, zou Aristoteles dus sterk afkeuren. Omdat hierin de praxis, het doel, niet meer centraal zou staan.

Ook het katholieke denken biedt inspiratie. Het woord ‘oikonomia’ wordt hier gebruikt in het Nieuwe Testament (Lucas 16:2-4), waar het werd vertaald als ‘beheer’ of ‘rentmeesterschap’. Het gaat hier om een zorgvuldig beheer van een goed of dienst, maar ook van je omgeving/de wereld.

Dit begrip van economie is verder uitgewerkt in het katholieke sociale denken door de jaren heen. Van het ‘Rerum Novarum’ (1891) tot het ‘Laudato Si’ (2015). Dit denken zegt dat mensen/partijen het met elkaar moeten doen en dat ze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De mensen die rijk zijn, zowel qua bezit of geest, dus ook als je bovenmatige intellectuele capaciteiten hebt, zijn verplicht deze ‘overvloed’ te delen met hun medemensen. Je mag dus zeker rijk zijn, bezit hebben, sterker dit wordt aangemoedigd, maar je bent verplicht dit te delen.

Interessant vind ik de directe lijn van dit denken naar het recente ‘Laudato Si’ van Paus Franciscus uit 2015. Hierin wordt de integraliteit van de onderlinge verbondenheid van mensen, die nu op aarde rondlopen, nadrukkelijk verbonden naar onze kinderen en kleinkinderen die nog geboren moeten worden. Het legt wederom een sterke rol op het beherende van de mens in de economie. Duurzaamheid. We hebben het allemaal te leen van onze (klein)kinderen. Zoals een familiebedrijf.

Uiteindelijk komen de katholieke sociale leer en inspiratie voor mij in diepere zin hierop neer.

Mensen zijn, juist zonder markt of overheid, intrinsiek met elkaar verbonden en hebben een verantwoordelijkheid voor elkaar te zorgen. Alleen onderlinge samenwerking en verbinding tussen (groepen) mensen leiden tot een betere en duurzaam houdbare economische orde/samenleving.

Dames en heren, zowel de oude Grieken, een economie die dichtbij is/‘huishoudkunde’, als het katholieke sociale denken in a. ‘het beherende’ en b. ‘de onderlinge verbondenheid en goede samenwerking’ geven mij inspiratie om te kijken hoe we het evenwicht kunnen terugbrengen.

Mijn perspectief

Zoals gezegd in mijn boodschap aan het begin, geloof ik in een fundamentele omschakeling. De informele sector moet worden versterkt. Ik stel voor om dit te doen op een hedendaagse manier, via de samenwerking in de triple helix. In dit onafhankelijke orgaan zetten ondernemers, overheden en onderwijs zich gezamenlijk op vrijwillige basis in om de lokale, regionale, landelijke en wellicht zelfs Europese economische koers te bepalen. Alle partijen zullen daarbij wellicht een deel van hun verantwoordelijkheden moeten durven loslaten. Waarom geloof ik hierin?

  1. Burgers kunnen zo op drie verschillende manieren indirect verbonden zijn met de vorming van economisch beleid. Via de overheid, via het onderwijs of via het bedrijfsleven. Dit kan ervoor zorgen dat economie weer dichter bij mensen komt te staan. ‘Op huishoudniveau’, zoals ooit bedoeld door de oude Grieken.
  2. In de triple helix zijn alle partijen erbij gebaat om goed samen te werken. Om rekening te houden met elkaars belangen, juist op de langere termijn. Je moet er gezamenlijk uitkomen en weet ook dat je elkaar (over)morgen en over één jaar, tien jaar weer tegenkomt. Dit kan zorgen voor een meer beherende, lange termijn vorm van economisch beleid. Zie hier het beherende uit het katholiek sociale denken.
  3. Door de manier van samenwerken wordt ook een informele onderlinge verbinding en afhankelijkheid gecreëerd. Zoals de Italiaan Bruni zei: ‘De intrinsieke waarde van intermenselijke relaties wordt economisch erkend’. Partijen hebben iets voor elkaar over, hoewel het financieel gezien wellicht op sec dat onderdeel niet het meest efficiënt is. Feitelijk de informele sector zoals we die vroeger kenden. Zie hier de inspiratie van de onderlinge verbondenheid uit het katholieke sociale denken.

In mijn centrale boodschap bij de inleiding heb ik ook gezegd dat Brabant en Brainport hierin een gidsfunctie kunnen vervullen.

Waarom vind ik dat? Om drie redenen:

  1. Het zit in het DNA van de Brabander. Er is behoefte om dit te verkennen en verbeteren! Om het evenwicht te herstellen. Veel mensen in Brabant zijn op zoek naar verbetering van ons economisch systeem en van onze samenleving, naar zingeving met een zachte G. Brabant Advies verwoordt dit wat mij betreft mooi in de uitnodiging voor de Trendnacht 2019: God, Geld en Geluk. ‘Brabant is ontkerkelijkt. De levensbeschouwelijke leegte die het geloof achterliet, is opgevuld door het streven naar materiële welvaart, individuele vrijheid en geluk. Maar deze geld-is-geluk-bubbel is niet zaligmakend, merken we. Ondanks dat grotere huis, die mooiere auto, die tweede vakantie, missen we iets. Zo zijn steeds meer jonge Brabanders op zoek naar betekenis. En ook ondernemers in Brabant gaan niet alleen maar voor winstmaximalisatie: ze willen dat hun bedrijf ook sociale en ecologische meerwaarde creëert. Wat bezielt deze zingevers met een zachte G? Wat maakt ons leven en het samenleven waarde(n)vol?’
  2. De langetermijnvisie zit in het DNA en de structuur van de Brabantse economie. Dit omdat de Brabantse economie, en helemaal die in Brainport Eindhoven, zich kenmerkt door een zeer sterke, hechte maar afhankelijke bedrijfsstructuur. In Brainport werken Philips, ASML, VDL, NXP en DAF samen in een keten met 6000 MKB-ondernemingen. Deze zijn afhankelijk van elkaar, wat maakt dat bedrijven verder kijken dan de volgende kwartaalcijfers. Dit langetermijndenken is van enorme meerwaarde aan de triple helix tafel.
  3. We hebben er ervaring mee in Brabant. In Brainport werken en experimenteren overheid, bedrijfsleven en onderwijs bijvoorbeeld al sinds de jaren ’90 met de triple helix samenwerking . Op basis van gelijkwaardigheid tussen de drie partijen worden hier belangrijke beslissingen voor de toekomst genomen.

Zijn we er dan al in Brabant/Brainport? Nee natuurlijk niet, dit is een complex probleem dat niet zomaar is opgelost. En ook acteren we in een mondiale, concurrentiegevoelige economie. Maar er staat een fundament. Drie partijen, drie poten van de kruk, praten op basis van gelijkwaardigheid met elkaar en nemen samen beslissingen. De ambitie is er om ook Brainport nog meer ‘voor iedereen’ te laten zijn en dichter bij mensen te brengen. Daar gaan we dit jaar allerlei initiatieven voor nemen (MKB klankbord; werkgroep sociale inclusiviteit/brede welvaart). Het is mijn overtuiging dat we in dit soort relatief nieuwe structuren als de triple helix verder moeten gaan ontdekken en ontwikkelen. Geen gemakkelijke opgave, maar zeker mogelijk!

Kortom, de ingrediënten zijn er om het anders te doen, om zo een duurzamer en draagbaarder economisch systeem en samenleving te creëren.

Monseigneur, tot zover. Ik ben heel benieuwd naar uw visie en kijk op deze thematiek.

1 Alleen het gesproken woord telt.

Spreektekst Stijn Steenbakkers Tweede Sint-Janslezing (15 februari 2019)