Praktische Politieke Philosophie: onderwijs met overtuiging

De heer Eugene Bernard sprak op 5 april bewust over ONS middelbaar onderwijs in plaats van over OMO. Dat is precies wat hij duidelijk maakte met zijn inleiding op 5 april voor CDA-ers en belangstellenden. We kregen een boeiende doorkijk: hoe het middelbaar onderwijs alle kinderen wil opleiden en begeleiden naar volwassenheid. Het was weer een sfeervolle en goed bezochte bijeenkomst in huize Groenberg in Oirschot. Een schets van hetgeen deze avond de revue passeerde. Onderwijs in deze tijd betekent ontwikkeling van de leerling, ontwikkeling van de leerkrachten en ontwikkeling van de school. Goed onderwijs, goed mens en goed leven zijn onderling sterk samenhangend. Het gaat om maatschappelijke cohesie en omgaan met onzekerheden. Onder verwijzing naar de Volkskrant (Giesen): wordt als vraag voorgelegd of sprake is van de samenleving van de leegte. Is er meer decadentie, hedonisme, egocentrisme, behoefte aan onmiddellijke beloning? Hedendaags onderwijsfilosoof Biesta spreekt over de betekenis van onderwijs in termen van kwalificatie’ (de cognitieve kant), socialisatie (de ander en ik) en persoonsvorming. Goed onderwijs betekent voor een leerling dat hij of zij zich ontwikkelt tot een goed mens, die zelf en samen met anderen leert omgaan met verantwoordelijkheden. Essentieel is de onderzoekende houding van kinderen en dat raakt aan leren omgaan met onzekerheden. Gepersonaliseerd leren is niet hetzelfde als geïndividualiseerd leren; gepersonaliseerd leren richt zich op wat een kind wel kan – op de talenten die elk kind heeft. Kinderen die niet naar verwachting presteren kunnen al jong een ‘looser-stigma’ oplopen. Voor leerlingen is duidelijkheid en structuur belangrijk. Puberleerlingen mogen fouten maken: kattenkwaad mag maar wel onder sociale veiligheid. Een groeiend aantal kinderen vindt het fijn om op school te zijn. Wanneer de thuissituatie problematisch is (bv er speelt een vechtscheiding) dan gaan kinderen om vijf uur niet graag naar huis. Leerlingen willen graag veiligheid en voorspelbaarheid. Ze hebben ook identificatiemogelijkheden nodig. Met vakoverstijgend leren wordt aandacht besteed aan leeropdrachten in samenhang met de omgeving. ICT is in het onderwijs een hulpmiddel. Vroeger werd kennis opgedaan van (groot)ouders, uit de bibliotheek en uit de krant. Nu is kennistoegang onbegrensd. Dat vraagt wel begeleid leren en kritisch leren omgaan met informatie. Tablettechnologie is nog maar vijf jaar oud. Op school is er nu een roep om de WIFI twee uur uit te zetten. Vanuit de zaal wordt opgemerkt dat dat veel weg heeft van het vroegere ‘silentio’: dan mocht je een bepaalde tijd niet praten. Docenten ontwikkelen zich doorlopend. Hier geldt dat wat voor de leerling geldt, dat geldt ook voor de docent (fractal principle). Een docent hoeft niet de knapste te zijn in een vak maar hij moet wel over enkele belangrijke eigenschappen beschikken (een aantal V’s): vrolijk in de zin van ‘opgeruimd’, verrijkend, verassend, beschikken over vakmanschap, zich gedragen als verantwoordelijk eigenaar, en verbinder zijn. Docenten moeten op de eerste plaats elke leerling erkennen als individu. Kinderen met een laag zelfbeeld (‘loosers’) hebben juist respect nodig en vertrouwen. De pedagogische en didactische kant is belangrijker aan het worden. En de rol van de docent verandert – mede als gevolg van interactief internet. Kinderen kunnen – flexibel lerend – sterk verdiepend bezig zijn waardoor de kennisvoorsprong en het zicht op de context bij de docent belangrijk wordt. Docenten krijgen meer een begeleidende rol. Met name de jonge docenten, althans de docenten die in het HBO worden opgeleid, hebben weinig voorsprong op hun leerlingen.

Van docenten wordt flexibiliteit verwacht en gerichtheid op de eigen inzetbaarheid. We moeten af van het idee ‘eens in het onderwijs is altijd in het onderwijs’. Docenten zijn soms afkomstig uit andere sectoren en omgekeerd: er is niets mis mee wanneer docenten niet hun leven lang voor de klas blijven staan maar tijdens hun werkzaam leven overstappen naar het bedrijfsleven. Een professioneel docent stroomt niet altijd door. In die zin is aan employability nog wel het een en ander te verbeteren. Ons Middelbaar Onderwijs is opleider van studenten en docenten. Centraal staat samen werken, samen leren in leergemeenschappen en samen kennis delen. Net zoals de leerlingen dat hebben, hebben ook de docenten van nu een onderzoekende en reflectieve houding nodig. Moreel leiderschap is niet alleen aan de orde bij een vak als levensbeschouwing; ethiek loopt door alles heen en morele vragen kunnen bij alle vakken aan de orde komen. Ons Middelbaar Onderwijs Scholen ontwikkelen zich als sociale gemeenschap – waarden gedreven en vanuit een duidelijke visie. Dynamiek in producten en processen is er volop, innovatie zou wellicht beter kunnen. Onderwijsinhoudelijke innovatie gebeurt met pilots. Pas na evaluatie en bij voldoende succes wordt opgeschaald. Grootschalig experimenteren met onderwijs is niet verstandig omdat kinderen maar een keer in de gelegenheid zijn hun schoolcarrière te hebben. Kortom je kunt je als school niet een mislukte innovatie permitteren. OMO-scholen hebben een centraal ICT-portal waardoor horizontale kennisdeling snel kan plaatsvinden. Ons Middelbaar Onderwijs betreft ongeveer 100 scholen (62000 leerlingen). OMO-scholen zijn onderdeel van regionale netwerken: ze werken samen met omliggende onderwijsaanbieders en met kennisinstituten.

Een van de vragen die terugkwam uit de zaal was: hoe zorg je voor doorvertaling van de visie en waarden? Is de aanpak van de OMO-scholen herkenbaar? en valt het te meten? Ofwel wat merk je ervan op de vloer als ouder of als docent? Gewerkt wordt op basis van gedeelde concepten. Het onderling ontwikkelen en delen ervan en het doorvoeren kost veel tijd. Het gedachtengoed moet doorklinken in schoolplannen. Een welluidend schoolplan wordt niet alleen naar inhoud beoordeeld maar ook naar de manier waarop het tot stand kwam. Horizontaal kennismanagement helpt: toegang hebben tot elkaars documenten. In de praktijk zijn waarden gerichte scholen de gewilde scholen: Rooms-katholieke en Protestants-christelijke scholen.

Tussen scholen bestaan behoorlijke verschillen wat betreft leerlingen en hun achtergrond. Zo werd een school in ‘n stad genoemd waar 80 % niet westers is. Het zijn dan ook nog vaak kinderen van analfabetische ouders. De docenten en medewerkers kennen hun leerlingen en wanneer ze niet op school verschijnen zonder bericht (omdat er geen geld is voor een telefoon) dan kan het zijn dat iemand op de fiets ernaar toe gaat om ze naar school te halen.

Landelijk is het probleem van krimpgebieden onderkend voor middelbare scholen. Het idee is ook daar een breed onderwijsaanbod en voldoende nabije scholen in de lucht te houden. Hoe lager het niveau hoe meer problematisch de afstand. Middelbare scholen hebben het voordeel dat ze redelijk kunnen plannen en vooruitzien op aantallen leerlingen.

Gevraagd wordt hoe de gepresenteerde onderwijsfilosofie, dit gedachtengoed zich verhoudt tot dat van de Vrije School. Ook bij Rudolf Steiner is vakmanschap en gaat het om heel de mens (holistische benadering). Het verschil is dat dogma en rationaliteit zich niet met elkaar verdragen. Inmiddels wordt veel gemeten in het onderwijs. Er is ook veel meetbaar geworden dankzij ontwikkelingen in disciplines als psychologie en sociologie. Niet alles is meetbaar. Als voorbeeld (uit een andere discussie): wanneer je een school binnen komt proef je de sfeer, wel of geen gastvrijheid; er is verschil in gedrag, in beleefdheid.

Er is geen protocol voor het opleiden tot een gelukkig mens. Dat zou betekenen dat we een maakbare samenleving hebben en die bestaat niet. Al eerder had de heer Bernard aangegeven dat utilitair denken passe is. Utiliteit denken geeft een steriele samenleving: het zou betekenen dat het onderwijs mensen ziet als een productiefactor: onderwijs om op te leiden tot productiemiddel.

Bij de inleiding hield Dhr. Bernard ons een tekst voor over Christelijke opvoeding: “Alle mensen, van welk ras, van welke stand en leeftijd ook, hebben vanwege hun waardigheid als persoon een onvervreemdbaar recht op een opvoeding, die aan hun bestemming beantwoord, die op hun eigen aard, op het verschil in sekse, op hun cultuur en voorwaardelijke tradities is afgestemd en die ook de mogelijkheid schept voor een broederlijk samenleven met andere volken, teneinde de ware eenheid en vrede op aarde te verzekeren.“ (GRAVISSIMUM EDUCATIONIS, 28-10-1965).
In meerdere opzichten een tekst die aan actualiteit niet heeft ingeboet. De leerlingen van nu krijgen het niet meer automatisch beter dan hun ouders. Ze dromen andere dromen en ze hebben andere idealen. Ze zijn zoekend naar beleving en – onderliggend – naar zingeving en inspiratie (bezieling). Tegelijkertijd raken volwassenen (ongeacht het primair behaalde opleidingsniveau) toenemend doordrongen van het fenomeen “een leven lang leren”. Cycli van veranderingen worden steeds korter terwijl de wereld ons dorp wordt. Persoonsvorming, kennisvermeerdering en vaardigheidstoename zijn niet meer klaar aan de start van een carrière als werkende. Dat maakt waarden overdracht belangrijk – overal waar mensen samen leven, leren en werken. Dat is ook de waarborg voor een vreedzame en stabiele samenleving.

Ons Middelbaar Onderwijs bestaat dit jaar 100 jaar.

Bekijk hier de presentatie: CDA 5 april 2016 (definitieve versie)

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.