Staatssecretaris Mona Keijzer (CDA) op campagnebezoek in Brabant

Staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat (CDA) brengt op zaterdag 9 maart a.s. een campagnebezoek aan Brabant. De staatssecretaris gaat naar Den Bosch, Veghel en Uden en neemt deel aan diverse activiteiten in het kader van de verkiezingen voor een nieuw provinciebestuur, die over twee weken plaatsvinden.

Belangrijke verkiezingsthema’s in Brabant zijn o.a. de economie en de leefbaarheid in steden en dorpen, twee onderwerpen waarmee ook de staatssecretaris zich in Den Haag bezighoudt. Zo presenteerde zij afgelopen zomer een actieplan ter versterking van het midden- en kleinbedrijf en stelde voor deze kabinetsperiode 200 miljoen euro beschikbaar om dit sterker, efficiënter en productiever te maken. Dit geld komt ook in Brabant terecht, waar familiebedrijven en het midden- en kleinbedrijf voor de meeste werkgelegenheid zorgen.

Met deze extra aandacht voor het midden- en kleinbedrijf wil Mona Keijzer o.m. winkelgebieden in steden en dorpen vitaal houden. De leefbaarheid in binnensteden en dorpskernen is ook een belangrijk verkiezingspunt van het CDA Brabant, dat vindt dat de provincie daarin een taak en verantwoordelijkheid heeft. Niet alleen als het gaat om het bevorderen van voldoende winkelaanbod, maar ook om te zorgen voor een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer, het bouwen van genoeg woningen voor starters, gezinnen en senioren én het vergroten van de verkeersveiligheid.

Het programma van de staatssecretaris begint om 11.15 uur op de Markt in Den Bosch, waar ook de Brabantse CDA-lijsttrekker Marianne van der Sloot, Tweede Kamerlid Madeleine van Toorenburg en Eerste Kamerlid Ton Rombouts aanwezig zijn. Tussen 12.30 uur en 13.30 uur is Mona Keijzer in Veghel voor een bezoek aan de Jumbo Foodmarkt met verschillende CDA’ers uit de regio. Onder hen Erpenaar Coen Hendriks, die op plaats 8 van de provinciale CDA-lijst staat. Vanaf 14.30 uur doet de staatssecretaris samen met Tweede Kamerlid Erik Ronnes Uden aan voor een ontmoeting met het winkelend publiek en een kennismaking met plaatselijke ondernemers. Om 16.00 uur is het bezoek afgelopen.

Marianne van der Sloot, lijsttrekker CDA Brabant: “Wij zijn blij met de komst van Mona Keijzer naar onze mooie provincie Brabant. Als staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat is zij verantwoordelijk voor belangrijke onderwerpen als het midden- en kleinbedrijf, het ondernemersbeleid en innovatie. We nemen haar graag mee door onze provincie, langs de mensen die de Brabantse economie draaiende houden: de ondernemers achter het midden- en kleinbedrijf en achter die vele familiebedrijven. Zij zorgen voor werk en hebben vaak ook een maatschappelijke functie. Bijvoorbeeld omdat ze sportclubs, lokale evenementen en buurtactiviteiten sponsoren. Of zorgen voor stageplaatsen. Als CDA zijn we trots op deze mensen. En natuurlijk ook op onze staatssecretaris die zich voor hen inzet.”

CDA Brabant op werkbezoek in Wanroij, Boekel en Mill

Het CDA Brabant brengt op vrijdag 8 februari a.s. een werkbezoek aan Wanroij, Boekel en Mill. Aan dit werkbezoek, georganiseerd door het CDA in het Land van Cuijk, nemen o.a. Marianne van der Sloot (fractievoorzitter/lijsttrekker), Marcel Thijssen (kandidaat-Statenlid, regio Land van Cuijk), Tanja van de Ven-Vogels (kandidaat-Statenlid, woordvoerder landbouw), Ankie de Hoon (zittend Statenlid, woordvoerder verkeer & vervoer) en Tom Berendsen (kandidaat-Europarlementariër) deel.

Het werkbezoek staat in het teken van de agrarische sector. Zo staan op het programma een kennismaking met een kringlooplandbouw-bedrijf, een bezoek aan een duurzame bloembollenteler én een ontmoeting met een gestopte rundveehouder.

CDA-lijsttrekker Marianne van der Sloot:

“Wij zijn blij met de uitnodiging voor dit werkbezoek. In de Brabantse landbouw is in de afgelopen jaren veel gebeurd. Neem bijvoorbeeld het veehouderijbesluit uit 2017, dat de sector hard heeft geraakt. Van de ene op de andere dag moesten boeren zes jaar eerder dan afgesproken voldoen aan nieuwe milieueisen. Voor veel familiebedrijven een onmogelijke opgave en destijds voor het CDA reden om tegen het besluit te stemmen. Nu zijn we anderhalf jaar verder en worden de gevolgen van het besluit merkbaar. Over hoe dit uitpakt voor de agrarische ondernemers in het Land van Cuijk en aan de Peelrand, laten we ons graag ter plekke informeren.”

Het CDA is vóór duurzame landbouw, maar tegen onrealistische deadlines en negatieve effecten, zo schrijft de partij in haar verkiezingsprogramma voor de Provinciale Statenverkiezingen op 20 maart a.s. Blijken bijvoorbeeld de nieuwe, milieuvriendelijkere stallen die boeren verplicht zijn vóór 2022 te bouwen niet op tijd ontwikkeld en goedgekeurd te zijn, dan moet de provincie dat besluit wat het CDA betreft herzien.

Kandidaat-Statenlid Marcel Thijssen (CDA), afkomstig uit Cuijk:

“De agrarische sector is belangrijk voor Brabant, voor het Land van Cuijk en de Peelregio. Net als gezondheid en een gezond leefklimaat. Daarbij past een provincie die oog heeft voor wat er speelt en leeft, die beseft dat betrouwbaarheid van overheidshandelen een must is en die bereid is om noodzakelijke veranderingen te faciliteren. Haalbaar en betaalbaar. Met draagvlak als uitgangspunt. Dat vraagt om een andere aanpak dan we in de afgelopen jaren hebben gezien: meer realisme, minder regels en meer trots.”

Het werkbezoek start om 09.00u en duurt tot 14.30u. Om 13.30 uur is er een persmoment bij het voormalige rundveebedrijf van de familie Meulepas aan de Heufseweg 9 te Mill. Eenieder met belangstelling is uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn en de CDA-kandidaten beter te leren kennen.

Opinie Marianne van der Sloot c.s. – ‘Stoppen met dromen en drammen over klimaat’

Opinie van Marianne van der Sloot en 11 andere CDA-lijsttrekkers in dagblad De Telegraaf d.d. 5 februari 2019.

‘Stoppen met dromen en drammen over klimaat’

De plannen van de klimaattafels getuigen niet van realisme en gezond verstand. Dat stellen de twaalf CDA-lijsttrekkers voor de Provinciale Statenverkiezingen. In de week van het klimaatdebat in de Kamer en het eigen partijcongres, stellen zij vier voorwaarden aan het Klimaatakkoord.

Klimaat is een belangrijk thema in de campagne voor de provinciale verkiezingen. Dat is terecht. Om de doelen van Parijs te halen, zijn de provincies van cruciaal belang. Als CDA lijsttrekkers van de twaalf provincies onderschrijven wij de doelen en zien wij veel kansen voor onze provincies. Maar om Parijs te halen is meer realisme en gezond verstand nodig in de uitvoering. Daarin schieten de plannen van de klimaattafels tekort. Daarom stellen wij vier voorwaarden aan het definitieve akkoord.

Een succesvolle klimaataanpak vraagt allereerst om draagvlak in plaats van doordrukken. Bij de presentatie van het concept-klimaatakkoord is te veel mist ontstaan over de werkelijke klimaatopgave. Het debat is gekaapt door felle voor- en tegenstanders, door drammers en sceptici. Maar door mensen alleen bezorgd of boos te maken komt een oplossing niet dichterbij. De keuzes zijn lastig, zoals we zien in discussies over windmolens. Iedereen weet dat ze nodig zijn, maar niemand wil ze in de achtertuin.

Veel van de zorgen gaan over de rekening van de klimaataanpak. Die zorgen zijn terecht. Voor veel mensen is een nieuwe elektrische auto nog lang geen haalbaar alternatief. Zij zijn al blij met een degelijke tweedehands, die ook de komende jaren nog vaak op benzine rijdt. Ook de plannen om huizen te isoleren en van het gas af te halen vragen om grote investeringen, bovenop de hogere energierekening die mensen dit jaar al betalen. Daarom moeten we zorgen dat de veranderingen voor iedereen haalbaar en betaalbaar zijn.

In de derde plaats pleiten wij voor een realistischer tempo in de uitvoering. De klimaatplannen zijn geformuleerd voor 2030 en 2050. We hebben dus een generatie de tijd om alle doelen te realiseren. Die tijd moeten we nuttig gebruiken, door nu te doen wat kan en nodig is en andere maatregelen uit te smeren over de komende decennia. Dat geeft een realistisch perspectief, maar schept ook ruimte om maximaal te profiteren van de innovatie en de technologische vooruitgang. Ook de markt levert hier een bijdrage. Zo heeft Volkswagen al aangekondigd vanaf 2026 uitsluitend nog elektrische auto’s te produceren. Daar is dus geen peperdure subsidie voor nodig.

De vierde voorwaarde is een eerlijk Europees speelveld. Het Nederlandse klimaatbeleid is gericht op een CO2-reductie van 49%. In Europa zoekt het kabinet steun voor een verdere reductie tot 55%. De realiteit is dat veel van de ons omringende landen niet verder komen dan 40 tot 45%. Dat maakt de Nederlandse ambitie riskant. Een Nederlandse ‘kop’ op de Europese doelen betekent dat wij voor veel geld de problemen van andere landen oplossen en de concurrentiepositie voor MKB’ers en grote bedrijven verslechtert. Daarom moet Nederland aansluiten bij de Europese doelen, ook als dit lager is dan de ambities waar het kabinet nu vanuit gaat.

Wij kunnen de klimaatopgave tot een succes maken en onze provincies schoner doorgeven aan de volgende generaties. Dat kan als we stoppen met dromen en drammen en kiezen voor haalbare, betaalbare en realistische plannen. Daarover kan de kiezer zich op 20 maart uitspreken.

De CDA-lijsttrekkers voor de verkiezingen Provinciale Staten: Jan Nico Appelman (Flevoland), Jo Annes de Bat (Zeeland), Adri Bom-Lemstra (Zuid-Holland), Gerhard Bos (Gelderland), Derk Boswijk (Utrecht), Patrick Brouns (Groningen), Dennis Heijnen (Noord-Holland), Eddy van Hijum (Overijssel), Henk Jumelet (Drenthe), Ger Koopmans (Limburg), Sander de Rouwe (Friesland), Marianne van der Sloot (Noord-Brabant).

Opinie Marianne van der Sloot – ‘Van die ‘beweging’ heeft Brainport weinig gemerkt’

Opinie van Statenlid/fractievoorzitter en lijsttrekker Marianne van der Sloot in het Eindhovens Dagblad d.d. 31 januari 2019.

Van die ‘beweging’ heeft Brainport weinig gemerkt

CDA-lijsttrekker Marianne van der Sloot reageert op de uitspraken van gedeputeerde Christophe van der Maat in het ED.

Beste Christophe,

Brabantse nachten zijn lang. Zeker die ene van vier jaar geleden. Die ene, hele lange nacht op het Provinciehuis in Den Bosch. Ik heb het natuurlijk over de verkiezingen voor de provincie, die op 18 maart 2015 plaatsvonden en ver na middernacht werden beslist. Brabant had gestemd. Een voor een kwamen per gemeente de uitslagen binnen, lange tijd ging het nek aan nek tussen jouw VVD en mijn CDA. Pas toen het licht werd, tekende zich de einduitslag af: met slechts 1777 stemmen verschil kregen jullie het goud en moesten wij genoegen nemen met zilver.

Desondanks waren wij optimistisch gestemd. Wat we konden écht iets gaan doen aan de bereikbaarheid van Eindhoven. Van de gemeenten rondom Eindhoven. Van Brainport. Een van de slimste en snelst groeiende regio’s ter wereld. Waar je elke dag in de file staat. Onbestaanbaar.

Daar moeten we dus iets aan doen. Vonden wij als CDA. En vond ook de VVD. Dachten we tenminste. Want niet lang na de verkiezingen spatte onze droom voor een bereikbaar Brainport uiteen. Schakend op twee borden koos jouw VVD er voor een deal te sluiten met de SP en twee andere partijen: ‘links’ mocht vier jaar losgaan op milieu, de VVD op industrie. En de bereikbaarheid van Eindhoven? Daar zouden jullie vieren het dan deze periode niet over hebben. De gedeputeerde mobiliteit kon zijn agenda vooral vullen met vergaderingen, met het doorknippen van de lintjes van zijn voorganger. En met een beetje smart mobility.

Als CDA, inmiddels oppositiepartij, zagen we het met lede ogen aan. Maar de grootste verliezer van deze deal: de inwoners en forenzen van Eindhoven, Helmond, Nuenen en Laarbeek. Zij staan iedere dag stil, zien het sluipverkeer, de overlast en incidenten toenemen, en horen op de radio hoe Eindhoven een vaste plek heeft verworven in de dagelijkse fileberichten. Het akkoord dat jouw VVD in 2015 sloot met SP, D66 en PvdA kreeg, hoe ironisch, de titel Beweging in Brabant. In Brainport heeft de automobilist echter weinig van die ‘beweging’ gemerkt. Evenmin trouwens bij knooppunt Hooipolder en op de Merwedebrug, waar het óók stilstaan en achteraan aansluiten is. En waar behalve de automobilist ook de omwonenden telkens de dupe zijn.

Vier jaar lang stilstaan in Brainport. Zonder perspectief op verbetering. Want elk voorstel, elke oplossingsrichting die in de Provinciale Staten voorbijkwam, werd steevast bij elke begrotingsbehandeling door jou ontraden en door jouw politieke ‘bondgenoten’ weggestemd. En het geld dat opzij was gezet voor een oplossing, werd ondertussen driftig uitgegeven. Waaraan eigenlijk? In elk geval niet aan het oplossen van de verkeersproblemen rondom Eindhoven. Nee, een alternatief voor de zogenoemde Noordoostcorridor mocht er niet komen. Wat de regio wél kreeg, was meer ergernis, meer overlast en meer economische schade. Hoeveel bedrijven zouden omwille van de slechte bereikbaarheid Brainport reeds links (hebben) laten liggen en hun heil elders zoeken? De VVD heeft Brainport, de regio Eindhoven, een slechte dienst bewezen. Niet erg liberaal.

En toen waren we vier jaar verder. En was er ‘ineens’ jouw interview in het Eindhovens Dagblad van 24 januari. ‘Tijd voor volgende stap in Brainport’, tekende de krant uit jouw mond op. Met de verkiezingen in aantocht moesten betrokken gemeenten van jou maar eens met voorstellen komen, waarmee een nieuwgekozen provinciebestuur straks aan de slag kan. Eindhoven, met hoe ‘toevallig’ een VVD-wethouder op mobiliteit, pakte de handschoen op en ensceneerde deze week een schijngevecht tussen ‘links’ en ‘liberaal’. Goed voor de verschillen, goed voor de verkiezingen, zal het campagneteam van de VVD hebben gedacht. Misschien dat meer gemeenten het voorbeeld volgen.

Laten we eerlijk zijn: in de afgelopen vier jaar is in Brabant het verschil tussen ‘links’ en ‘liberaal’ praktisch verdampt. De verkeersproblemen in Brainport hebben dat pijnlijk duidelijk gemaakt.

Daarom mijn oproep aan jou: Christophe, haal Brainport uit zijn nachtmerrie. Het hoeft nog niet te laat te zijn. In de nacht van 20 op 21 maart a.s. zullen we elkaar opnieuw treffen. Allebei met zoveel meer ervaring dan vier jaar geleden. Jij met de ervaring met ‘links’, ik met de ervaring van vier jaar oppositie. Praktisch gezien komt dat op hetzelfde neer: je bereikt weinig en er wordt je niets gegund.

Tijd voor verandering dus. Met een verkeersoplossing voor Brainport ín een volgend bestuursakkoord, en met meer perspectief ín Zuidoost-Brabant. 1777 stemmen kunnen zomaar het verschil maken.

Marianne van der Sloot is fractievoorzitter in Provinciale Staten en lijsttrekker van het CDA Brabant.

CDA: ieder kind in Brabant muziekonderwijs

In Brabant moet ieder kind, als het dat wil, muziekonderwijs kunnen krijgen. Dat schrijft het CDA in het verkiezingsprogramma voor de Provinciale Statenverkiezingen en in schriftelijke vragen aan het provinciebestuur. Aanleiding om deze vragen te stellen is het bericht dat de Philharmonie Zuidnederland per september 2019 al haar educatieve projecten moet schrappen a.g.v. een begrotingstekort, ontstaan door de subsidiekorting van een half miljoen euro die de provincie het orkest vorig jaar oplegde.

Het CDA, van begin af aan tegenstander van deze bezuiniging, betreurt dat de Philharmonie Zuidnederland noodgedwongen deze keuze heeft moeten maken. “Muziekonderwijs speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van onze jeugd en met zijn educatieve projecten bereikte het orkest alleen al in 2018 ruim 18.000 Brabantse kinderen. Doodzonde dat daar nu een einde aan komt.” Aldus Statenleden Marcel Deryckere en Marianne van der Sloot (beiden CDA).

Om muziekonderwijs voor álle Brabantse kinderen toegankelijk te maken, zou het CDA graag zien dat de provincie Noord-Brabant samenwerkt met gemeenten en (grote) Brabantse culturele instellingen. Bijvoorbeeld door aan te sluiten bij programma’s als Méér Muziek in de Klas Lokaal, waarvan koningin Maxima erevoorzitter is en dat o.a. in de provincie Limburg en de stad Groningen heeft geleid tot kansrijke samenwerkingsovereenkomsten (convenanten). Of door het bevorderen van lokale projecten met de plaatselijke harmonie of fanfare.

Deryckere en Van der Sloot: “Als CDA vinden we het belangrijk dat muziek(onderwijs) toegankelijk is voor iedereen. In het bijzonder voor de Brabantse jeugd. Initiatieven daartoe die zich reeds hebben bewezen, zoals die van de Philharmonie Zuidnederland en Méér Muziek in de Klas Lokaal, zou de provincie juist moeten ondersteunen i.p.v. deze te korten t.b.v. allerlei vage experimenten.”

Concreet wil het CDA van het Brabantse provinciebestuur het volgende weten: 

01. Had u rekening gehouden met dit besluit van de Philharmonie Zuidnederland?

02. Het orkest schrapt per september 2019 alle educatieve projecten. Is dit de maatschappelijk gewenste ontwikkeling die u met de korting op de jaarlijkse bijdrage van de provincie voor ogen had?

03. Beschouwt de provincie Noord-Brabant zich als mede-eigenaar van de Philharmonie Zuidnederland of als klant?

04. Wat betekent dat in uw ogen voor uw rechten, plichten en verantwoordelijkheden jegens het orkest?

05. De half miljoen euro die de provincie weghaalde bij de Philharmonie Zuidnederland is terechtgekomen in een fonds is gericht op het ‘verbreden’ en ‘vernieuwen’ van symfonische muziek.

  1. Hoeveel Brabanders verwacht u in 2019 met dit fonds te bereiken?
  2. Hoeveel Brabantse kinderen in de leeftijd tot 18 jaar verwacht u in 2019 met dit fonds te bereiken en via dit fonds kennis te laten maken met symfonische muziek?

06. Bent u bekend met het programma Méér Muziek in de Klas Lokaal?

07. Hebt u wel eens overwogen om hier als provincie in te participeren?

08. Wat zijn overwegingen geweest om dit wel/niet te doen?

09. Zijn u andere initiatieven bekend, binnen en buiten onze provincie, gericht op het structureel stimuleren van (muziek)onderwijs bij kinderen/jongeren? Indien ja, welke?

Het provinciebestuur heeft vier weken de tijd om de vragen te beantwoorden.

CDA: Brabant moet eisen stellen aan Klimaatakkoord

Het CDA vindt dat de provincie Noord-Brabant eisen moet stellen aan het nationaal Klimaatakkoord, dat nu in de maak is. De partij wil dat het Brabantse provinciebestuur het voorbeeld van de provincie Limburg volgt, die afgelopen week een brief met Limburgse beoordelingscriteria voor het Klimaatakkoord naar Den Haag stuurde.

In schriftelijke vragen aan het provinciebestuur, vandaag ingediend, stelt het CDA dat alleen een Klimaatakkoord met voldoende draagvlak in de samenleving kans van slagen heeft. Daarvoor is het essentieel dat ook de wensen en zorgen van een regio als Brabant in het akkoord zijn terug te vinden. “Het Klimaatakkoord mag geen project van de Randstad zijn, waarvan de rekening eenzijdig in Brabant wordt neergelegd.” Aldus Statenlid Marianne van der Sloot, tevens fractievoorzitter en lijsttrekker.

Het CDA vraagt het provinciebestuur daarom een brief naar de ‘klimaatonderhandelaars’ te sturen, met een kader Brabantse randvoorwaarden waaraan het akkoord moet voldoen. Van der Sloot: “Beschouw het als een serie beoordelingscriteria/eisen waaraan Brabant het akkoord straks kan toetsen. Duidelijk en transparant.”

Om te zorgen voor één krachtige, gedragen boodschap richting Den Haag, stelt het CDA voor dat het provinciebestuur gemeenten en andere overheden, maatschappelijke organisaties en het Brabantse bedrijfsleven raadpleegt bij het bepalen van de inhoud van een dergelijke brief.

Ook doet het CDA zelf een aantal suggesties, namelijk:

  • Het Klimaatakkoord moet voor elke Brabander haalbaar, betaalbaar en uitvoerbaar zijn.
  • Doelstellingen en deadlines uit het Klimaatakkoord moeten concreet, meetbaar en realistisch zijn.
  • Een eerlijke verdeling van de ‘lusten’ is een vereiste. Dat betekent dat duurzame energieprojecten moeten investeren én renderen in de omgeving, zodat álle inwoners hiervan profiteren.
  • Een eerlijke verdeling van de ‘lasten’ is een vereiste. De opgaven uit het Klimaatakkoord moeten eerlijk over het land, over regio’s en over sectoren worden verdeeld.
  • Bewustwording bij de consument als vertrekpunt van het Klimaatakkoord, door in te zetten op hoe mensen zelf, in hun eigen huishouden en omgeving, kunnen bijdragen: bijv. door te isoleren, besparen, minder te verspillen en zorgvuldig om te gaan met afval.
  • Oog voor grensregio’s en aandacht voor hun bijzondere, internationale positie, die door het Klimaatakkoord niet in gevaar mag worden gebracht.
  • Géén uitbreiding van de gaswinning in Brabant. De rekening van Groningen mag niet in Brabant worden neergelegd.
  • Investeer in Brabantse klimaatmaatregelen die effectief zijn en zichzelf reeds bewezen hebben, zoals de subsidieregeling asbest eraf, zonnepanelen erop, de motie Samen aan de bal (over het verduurzamen van sportaccommodaties) én de motie Ladder voor duurzaamheid (over toepassing van een ‘zonneladder’, een hulpmiddel voor overheden om te bepalen waar wel en waar geen zonnepanelen mogen komen).
  • Méér Brabantse vakmensen. Het Klimaatakkoord moet voorzien in concrete voorstellen om de duizenden vakmensen op te leiden die nodig zijn om de maatregelen uit het Klimaatakkoord uit te voeren en in praktijk te brengen. In Brabant en voor Brabant.
  • Gelijk speelveld: het Klimaatakkoord mag onder geen enkele voorwaarde leiden tot oneerlijke concurrentie voor Brabantse bedrijven.
  • Heel Europa moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Nederland mag niet eenzijdig opdraaien voor dure, grensoverschrijdende klimaatmaatregelen.

Het provinciebestuur heeft vier weken de tijd om de vragen van het CDA te beantwoorden.

Klik op de volgende link om de schriftelijke vragen te bekijken: Schriftelijke vragen over het Klimaatakkoord.

Column Marianne van der Sloot: ‘Tradities’

Column van Statenlid en fractievoorzitter Marianne van der Sloot.

‘Tradities’

Traditie. Voor mij hét woord van 2018. Dat wat verbindt, zich herhaalt, we graag koesteren en doorgeven. Waarin we impliciet vastleggen wat we belangrijk, van waarde, vinden. ‘Goede gewoontes’, tijdloos en nooit sleets. Gewoontes die we juist in deze tijd van het jaar, rond de feestdagen, extra stevig willen omarmen. Dicht bij ons houden.  Die we trots uitdragen en graag delen,  iedereen mag meekijken. Sociale media staan vol met inkijkjes in de (Kerst)tradities van onszelf en van anderen. De ene keer heel persoonlijk: met familie & vrienden aan het Kerstdiner, bij ons thuis door mijn moeder gemaakt. In een huis vol licht en Kerststallen. De andere keer van nationale betekenis, zoals de Kersttoespraak van de koning die we met z’n allen kijken. Soms zijn tradities heel dichtbij, bijvoorbeeld het worstenbroodje na afloop van de nachtmis. De andere keer zijn ze kilometers ver weg, op een plein in Rome waar duizenden mensen luisteren naar de woorden van een wijs man.

Traditie: dat wat verbindt, zich herhaalt, we graag koesteren en doorgeven. Maar dit jaar, meer dan ooit, ook dat wat ons verdeelt, we ter discussie stellen, willen en ook kunnen veranderen. De koning in de Gouden Koets, het Sinterklaasfeest, vlees op het (Kerst)menu, vuurwerk met de jaarwisseling: niets lijkt meer onbesproken, ‘heilige huisjes’ zijn er steeds minder. In het land, maar ook in eigen kring. Want wat was het fijn dat die supermarkt op Tweede Kerstdag open ging. Terwijl het op de weg ook allesbehalve rustig was. We gaan er massaal op uit: familiebezoek, maar even goed naar pretpark, winkelcentrum of via het vliegveld naar een exotische bestemming. Ook dat is traditie. File rijdend komen we onderweg de ene na de andere vrachtwagen tegen, want ook morgen willen we dat de schappen weer gevuld zijn. Moet kunnen, moet mogen. Want er kunnen altijd weer nieuwe tradities ontstaan.

Onze provincie is rijk aan tradities, kent er vele. Sommigen al eeuwenoud, andere nog maar enkele jaren jong. Die willen we niet kwijt, ze verhalen over wie we zijn en waar we vandaan komen. Natuurlijk carnaval, maar ook de Tilburgse kermis, de Brabantsedag, de Bloemencorso’s in Zundert en Valkenswaard en ‘Daags na de Tour’ in Boxmeer. Grote evenementen die Brabant (inter)nationaal op de kaart zetten en waarvoor de rest van Nederland graag de rivieren oversteekt. Maar óók zoveel kleinere, waaronder een wijk, dorp en stad zich verenigd weet. Levend gehouden door het plaatselijke verenigingsleven, de middenstand en veel betrokken inwoners. Zoals gildes, Oranjecomité’s, wagenbouwers, Katholieke Plattelands Jongeren en de grote kring vrijwilligers daarom heen. Zij zijn het die onze tradities kennen, onderhouden en doorgeven. Zij beschermen onze tradities, wij beschermen hen. Voor hen wil ik hier een lans breken, voor de hoeders van onze tradities. Laten we stilstaan bij al hun goede werk, onder niet altijd eenvoudige omstandigheden. Ik wens Brabant een ‘verenigingsrijk’ 2019.

Marianne van der Sloot
Trotse Brabander uit Den Bosch, verzamelaar van Kerststallen

 

Fijne feestdagen namens fractie & bestuur!

Beste CDA-leden,

Het jaar 2018 was een goed jaar. Een jaar met gemeenteraadsverkiezingen, waarbij het ons is gelukt om de grootste lokale partij van Nederland te blijven. Een mooi resultaat, dat vertrouwen geeft en verantwoordelijkheid vraagt. Veel nieuwe raadsleden en wethouders zijn aan de slag gegaan en tegelijkertijd namen we afscheid van betrokken collega’s, die zich in verschillende rollen en met hart en ziel voor onze partij hebben ingezet. Hiervoor zijn we hen heel dankbaar.

Nu staan we aan de vooravond van 2019, alweer een belangrijk verkiezingsjaar. Brabant mag naar de stembus voor de Provinciale Staten, waterschappen, het Europees Parlement én de Eerste Kamer. Verkiezingen die bepalend zijn voor de koers en de toekomst van onze provincie.

Als CDA Brabant hopen we dat veel CDA’ers straks voor onze provincie aan de slag kunnen. Dat doen we door altijd dichtbij en in de buurt te zijn. Want dáár zit onze kracht, in altijd en overal actief zijn. Weten wat er speelt en welke uitdagingen politiek en bestuur moeten oppakken. Zodat we de juiste dingen kunnen doen voor onze Brabanders.

Voor nu wensen wij u en uw naasten fijne feestdagen toe en hopen dat u met een goed gevoel terugkijkt op het afgelopen jaar. En dat u net als wij zin heeft in 2019, waarin we graag weer samen met u de schouders zetten onder onze club.

Marianne van der Sloot (fractievoorzitter/lijsttrekker) & Inge van Dijk (partijvoorzitter)

Spreektekst Marianne van der Sloot – Debat over “PAS Leegveld, Deurne” op 07/12

Spreektekst1 Marianne van der Sloot – Lid Provinciale Staten Noord-Brabant
Debat over het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) “PAS Leegveld, Deurne”
(07-12-2018)

Voorzitter,

Dit voorstel over natuurontwikkeling in Deurne is landelijk nieuws geweest. Terecht, want het is een schitterend gebied. Met bewoners die zich grote zorgen maken over de voorgestelde plannen.

Voorzitter, als CDA hebben we veel van deze bewoners gesproken. En die zijn zeker niet tegen natuur. Maar wel tegen het onderlopen van kelders, schimmelvorming en overlast van muggen.

Het CDA kent het lange dossier van de Peelvenen. Al jaren zijn we in gesprek en in 2005 is ‘Het onverenigbare verenigt’ in een Landinrichtingsplan. In dat plan zijn afspraken gemaakt waarvan de bewoners dachten dat dát het was. Namelijk een gebied van 333 hectare. Nu blijkt dat het, nadat het plan ‘geconcretiseerd en geactualiseerd is’, om 727 hectare gaat. Blijkbaar helemaal volgens de procedures. Maar hoe kan het dat het eindplaatje zoveel verschilt van het startplaatje én vooral dat bewoners zich daar zo weinig in voelen meegenomen? Wij hebben daar grote moeite mee.

Voorzitter, de maatregelen die genomen gaan worden hebben groot effect op de omgeving, de bomen, de bedrijven in het gebied en, voor het CDA heel belangrijk, op de leefbaarheid.

Waterschade

Het waterschap heeft een schadeloket opengesteld voor waterschade. Maar bewoners vrezen jarenlange juridische procedures die veel tijd en energie kosten. Dat moeten we toch niet willen? Gedeputeerde, bent u bereid te onderzoeken hoe we die juridische strijd kunnen voorkomen? Bijvoorbeeld door vóóraf met vaststellingsovereenkomsten te werken.

Muggenoverlast

En dan de overlast van muggen en knutten. Die wordt in alle stukken een beetje weggeschreven. Terwijl dit een grote impact heeft op de leefbaarheid in het gebied. Voor mensen en voor dieren (bijv. blauwtong). Een ‘onderzoek naar muggen’ is een stap, maar geen verzekering. Graag horen wij van de gedeputeerde hoe we bewoners de zekerheid kunnen geven dat we overlast maximaal tegengaan en ook schade vergoeden als dat nodig blijkt.

Verder hebben we twijfels over het meenemen van de klimaatontwikkelingen in dit plan. Er zijn tegenstrijdige geluiden over óf en hoe dat is gedaan. En dat nog náást de discussie die onder wetenschappers wordt gevoerd of de voorgestelde maatregelen (ecologisch) wel de juiste zijn.

Voorzitter, dat brengt ons tot de vraag: in hoeverre kunnen we in overleg gaan met betrokken partners om de maatregelen geleidelijk in te voeren? En indien de monitoring van het natuurbeheerplan daar aanleiding toe geeft komen tot een tussentijdse aanpassing van de plannen?

Voorzitter, het moge duidelijk zijn: het CDA is zeer kritisch over dit voorstel en we zijn benieuwd naar de antwoorden van de gedeputeerde. Tot zover.

1 Alleen het gesproken woord telt.

Spreektekst Marianne van der Sloot PIP PAS Leegveld – Deurne (7 december 2018)

Beantwoording technische vragen “PAS Leegveld, Deurne”

Beantwoording technische vragen van het CDA door het provinciebestuur van Noord-Brabant
over het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) “PAS Leegveld, Deurne” (28-11-2018)

Vraag 1
Wat zijn de verschillen tussen de plannen uit 2005 (het Landinrichtingsplan ‘Het Onverenigbare Verenigt’) en de huidige plannen?

Antwoord 1
Het Landinrichtingsplan is een plan met verschillende doelstellingen. Eén daarvan is de doelstelling voor natuur. Voor hoogveen is gesteld het realiseren van levend hoogveen en andere hoogveeneigen vegetatietypen in de bestaande natuurgebieden en in de nieuwe natuurgebieden. In het Landinrichtingsplan is daarbij aangegeven dat gezien de lange ontwikkelingsduur van met name levend hoogveen dit neerkomt op het realiseren van de vereiste abiotische condities.
De doelstelling voor het hoogveen in het Natura 2000-beheerplan is zorgen voor het instandhouden en uitbreiden van de habitattypen herstellende en actief hoogveen. Het Landinrichtingsplan en het Natura 2000-beheerplan verschillen dus niet wat betreft doelstellingen. Het Landinrichtingsplan uit 2005 bevat globale inrichtingsmaatregelen. In dit landinrichtingsplan zijn maatregelen opgenomen voor het hoogveenherstel dus nog niet in detail uitgewerkt. In het plan is aangegeven dat detaillering maatwerk is en dat dit locatie specifiek uitgewerkt wordt in deelplannen. Wat betreft de wateropgave t.b.v. het hoogveenherstel is door waterschap Aa en Maas in opdracht van de provincie deze wateropgave uitgewerkt in de GGOR-inrichtingsvisie Deurnsche Peel (2011) (GGOR = Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime). De maatregelen opgenomen in de GGOR-visie vormen ook de basis voor de hydrologische maatregelen in het Natura 2000-beheerplan. De maatregelen uit het GGOR-/Natura 2000-beheerplan (2018) zijn weer verder geconcretiseerd in het projectplan Waterwet (2018). De plannen volgen elkaar op en er is geen strijdigheid tussen de plannen.

Vraag 2
Waaruit blijkt de noodzaak om veel meer te gaan vernatten t.o.v. het Landschappelijk Inrichtingsplan (LIP) 2005 om de Natura 2000-doelstelling te halen? Zijn er alternatieven onderzocht?

Antwoord 2
Zoals hierboven al is aangegeven zijn het Landinrichtingsplan, de GGOR-visie, Natura 2000-beheerplan en projectplan Waterwet plannen die elkaar opvolgen. Voor het gebied Leegveld vormt de GGOR-visie de basis voor het maatregelenpakket. In het beheerplan is aangegeven dat hiervoor eerst nog een uitvoeringsplan moet worden opgesteld, waarin de maatregelen worden geoptimaliseerd. Dat plan is het projectplan Waterwet. De hoofddoelstellingen zoals genoemd in het Landinrichtingsplan staan hierin nog steeds centraal. Overigens is het niet zo dat een groter gebied onder water wordt gezet, maar in een aantal compartimenten wordt wel voor een ander streefpeil gekozen dan in de bestuurlijk vastgestelde GGOR-visie. Soms lager en soms hoger. Reden hiervoor is dat streefpeilen beter kunnen aansluiten bij de maaiveldhoogtes van een compartiment dan beschreven in de GGOR. Dat is een belangrijke verfijning om de doelen uit het beheerplan te kunnen halen.

Vraag 3
Is met betrekking tot de huidige plannen tot overeenstemming gekomen met de betrokkenen (zoals dat in 2005 ook is gebeurd)?

Antwoord 3
Zoals hierboven al aangegeven is in het LIP opgenomen dat de detailuitwerking uitgevoerd wordt in deelplannen. Met deze werkwijze hebben de partijen door ondertekening van het Landinrichtingsplan ingestemd. De opgestelde GGOR-visie heeft ter inzage gelegen en is vastgesteld door waterschap Aa en Maas. Bij de totstandkoming van de GGOR-visie is een gebiedsproces doorlopen. Met een werkgroep van de verschillende gebiedspartijen zijn zes overleggen gehouden, waarin de modellering, de maatregelen en de effecten zijn besproken. De betrokken partijen die zitting hadden in de werkgroep waren: waterschap Aa en Maas, provincie Noord-Brabant, Staatsbosbeheer, ZLTO en afdeling Deurne, gemeente Deurne, Werkgroep Behoud de Peel, DLG, ambtelijk vertegenwoordiger van de Bestuurscommissie Peelvenen.

Vraag 4
In het laatste hydrologische model zijn de meest recente weersomstandigheden (nat en droog) en klimaateffecten niet meegenomen. Waarom niet?

Antwoord 4
Het model geeft aan welke maatregelen nodig zijn om een stabiel waterpeil in het gebied mogelijk te maken. Het model is gemaakt op basis van langjarige gemiddelden en is doorgerekend tot 2016. Onderdeel van de uit te voeren maatregelen is de aanleg van regelbare kunstwerken (stuwen), zodat beheerders in de toekomst kunnen inspelen op veranderende situaties.
Ook is rekening gehouden met regenbuien die maar eens in de 25 jaar voorkomen. In de nieuwe natuur is het mogelijk om de hoeveelheid neerslag die tijdens deze buien valt in de natuur te kunnen opvangen, zodat het watersysteem benedenstrooms wordt ontlast. Het project betekent dus een sterke verbetering van het waterbergend vermogen van het gebied. Er wordt naar gestreefd het gebied zoveel mogelijk lekdicht te houden en de waterpeilen in de hoogveenkerngebieden zo stabiel mogelijk te houden. Het levende hoogveen dat zich moet gaat vormen zal ook langdurige droogteperiodes moeten kunnen overleven. Daar is de norm voor de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) GLG op gebaseerd. Regenval en droogte zijn niet te sturen en wateraanvoer van elders in een hoogveenkern is geen optie (is zelfs een bedreiging). Welke tijdsduur van droogte ontstaat is afhankelijk van regenbuien en tijdsduur van een droge periode. Extra (Maas)water aanvoeren en vasthouden (in het gebied buiten de natuur) en daarmee extra tegendruk creëren ter compensatie is een mogelijkheid die in 2018 door het waterschap is toegepast. Dit wordt nu niet als besluit voorgelegd, want dat is onderdeel van waterbeheer in (extreem) droge perioden. Resumerend, het berekenen van een droogvalduur heeft geen invloed op (extra) maatregelen. Hoogveengebieden hebben in een droge periode de hoogste prioriteit voor aanvoer van water in de omgeving (= categorie 1). Huidig beleid is de optimale waarborg voor het voorkomen van schade in het hoogveengebied als gevolg van droogte.

Vraag 5
Waarom vindt op korte termijn besluitvorming ten aanzien van de vaststelling van de plannen plaats, terwijl de hydrologische gevolgen binnen en buiten het plangebied niet volledig inzichtelijk zijn?

Antwoord 5
Met behulp van grondwatermodellen en schadeberekeningen is onderzocht waar en hoe groot de wateroverlast zal zijn als gevolg van het project Leegveld. De gebieden waar mogelijk wateroverlast/-schade zal ontstaan zijn bekend. In overleg met de betrokkenen worden maatregelen opgesteld om deze schade te mitigeren. Met het grondwatermodel en monitoringsnetwerk voor de nulsituatie en effecten bestaat er goed inzicht in de grondwaterstanden en onverwachte wijzigingen hiervan. In het voorkomende geval dat zich toch situaties voordoen die zorgen voor wateroverlast dan zijn maatregelen voorhanden om zo nodig in te kunnen grijpen. De maatregelen die op voorhand getroffen worden zijn het aanleggen van (peilgestuurde) drainage en het ophogen van percelen.
Het bestaande netwerk van peilbuizen in dit gebied is uitgebreid met circa 60 peilbuizen. Met behulp van deze peilbuizen wordt automatisch de grondwaterstand in het gebied gemeten. Met behulp van dit meetnetwerk zal in de periode na aanleg gemonitord worden wat de effecten zijn van de maatregelen. De gegevens van de peilbuizen zijn door eenieder in te zien op:  https://aaenmaas.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=8654c063515546d4a8adc800a560921b.
Voorafgaand aan de start van de uitvoering wordt een bebouwingsopname uitgevoerd bij woningen/gebouwen rondom het natuurgebied.

Vraag 6
Op dit moment is er grote overlast van muggen in het gebied, wat wordt daaraan gedaan? Dit mede gelet op de geplande ontwikkelingen (en nog meer kans op muggen).

Antwoord 6
Bij de planvorming van het project Leegveld wordt gebruik gemaakt van de aanwezige kennis en ervaring uit eerdere deelprojecten. Op basis van deze onderzoeken zijn de factoren die een rol spelen bij de ontwikkeling en verspreiding van de overlast gevende moerassteekmuggen en knutten bekend. Het is bekend waar broedplaatsen kunnen ontstaan en hoe muggen zich kunnen verspreiden. Wageningen Environmental Research adviseert provincie en waterschap bij dit project om te komen tot een inrichting die voorkomt dat de huidige overlast van muggen groter wordt. Een heel belangrijke maatregel is het voorkomen van langdurig tijdelijk water. Dit is water dat niet in verbinding staat met permanent water en dus geen natuurlijke vijanden bevat. Monitoring na aanleg is ook een belangrijk middel om overlast te kunnen vaststellen. Vooruitlopend op het project wordt in 2018, 2019 en 2020 op diverse locaties in het gebied gemonitord naar muggen en knutten. In de jaren na afronding van de maatregelen zal ook gemonitord worden om te bewaken hoe die muggen en knutten zich gaan ontwikkelen. Ook in de fase na de uitvoering zijn maatregelen mogelijk om overlast te voorkomen.

Vraag 7
Bij recreatieve en agrarische ondernemers kan er directe economische schade ontstaan door deze muggenoverlast. Waarom is er geen schadeloket voor schade door muggenoverlast, zoals er wel een loket voor natschade is?

Antwoord 7
Het loket voor natschade vloeit voort uit een wettelijke plicht (zie vraag 8), dat is niet het geval bij muggenoverlast. Het PIP en het projectplan zijn (uiteraard) niet gericht op muggenoverlast, het voorkomen of beperken van muggenoverlast is bovendien geen belang dat onder de doelstellingen van de Waterwet valt. In het kader van het woon- en leefklimaat is er bij het maken van de plannen veel aandacht geweest voor de overlast van muggen. De plannen en besluiten bevatten voorzorgsmaatregelen om verdere overlast van muggen en knutten tegen te gaan (zie hiervoor). Met deze maatregelen verwachten wij dat er geen verdere toename van overlast zal plaatsvinden door de voorliggende plannen.

Vraag 8
Zijn de mogelijkheden voor een schadefonds onderzocht, waarin vóóraf schadeloosstelling plaatsvindt om zo jarenlange juridische procedures te voorkomen?

Antwoord 8
Dit is niet onderzocht, omdat de Waterwet een regeling biedt voor afhandeling van natschade. In het projectplan wordt met betrekking tot natschade verwezen naar de geldende verordening schadevergoeding van het waterschap. Indien er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat het verzoek om schadevergoeding zal worden toegekend, kan een voorschot verleend worden.
Naast het projectplan heeft GS een grondstrategieplan vastgesteld voor situaties waarin de maatregelen een zodanige inbreuk maken op de belangen van derden dat ze redelijkerwijs nopen tot onteigening. De aan de belanghebbende toe te kennen schadevergoeding wordt in dergelijke gevallen vastgesteld overeenkomstig de uitgangspunten van de Onteigeningswet.

Vraag 9
Enkele ondernemers in het gebied worden uitgekocht. Waarom worden niet gehele bedrijven opgekocht, maar blijven ondernemers achter met ‘stukjes’ zoals hun woonhuis of stukje van een bedrijf, waarmee ze niet of nauwelijks inkomen kunnen hebben?

Antwoord 9
De Onteigeningswet voorziet in deze situatie in artikel 38. Kort gezegd komt het hierop neer dat:
• Gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt, moeten op vordering van de eigenaar door de Provincie geheel worden overgenomen.
• Ditzelfde zal met erven moeten geschieden, wanneer er door de onteigening 25% of minder van overblijft of het restant kleiner dan 10.000m2 wordt.
De aanbiedingen die we doen worden gebaseerd op het wettelijke systeem. Dit betreft een soort vangnet. Echter, in het minnelijke overleg wordt ook onderzocht of wellicht overname van het hele bedrijf mogelijk is indien hierom wordt verzocht en strikt genomen niet wordt voldaan aan de criteria van artikel 38 Onteigeningswet. Wat we immers juist willen voorkomen is dat door de onteigening ondernemers onvoldoende inkomen meer kunnen behalen op het overblijvende gedeelte van hun bedrijf.

Wellicht ten overvloede nog het volgende:
– De eigenaar wordt door de onteigeningsvergoeding in de gelegenheid gebracht om elders grond te kopen. Of hij hiervan gebruik maakt is aan de eigenaar.
– In de onteigeningsvergoeding is het uitgangspunt dat alle schade wordt gecompenseerd (volledige schadeloosstelling) en wordt dus ook rekening gehouden met inkomensschade/investeringsschade en bijkomende schade.

Vraag 10
Het LIP en de gebiedsvisie Leegveld stellen dat er t.a.v. de ondernemers in de attentiezone voldoende economische perspectieven moeten worden geboden. Hoe is dat geborgd in het plan?

Antwoord 10
In het Landinrichtingsplan zijn diverse doelstellingen opgenomen voor het gebied. De uitwerking van deze verschillende doelstellingen vindt plaats door middel van deelprojecten. De uitwerking van de doelstelling voor de landbouw maakt geen onderdeel uit van het projectplan Waterwet.
In de gebiedsvisie Leegveld is aangegeven dat het waterschap Aa en Maas de regie voert op de uitwerking en uitvoering van de hydrologische en ecologische maatregelen. Voor de overige maatregelen in het gebied zijn andere partijen als trekker verantwoordelijk. Voor het thema landbouw is aangegeven dat dit de agrariërs zijn.

Vraag 11
Is er een 0-meting geweest in het gebied met betrekking tot wateroverlast aan woningen, gewassen etc. voorafgaand aan het nemen van de eerste maatregelen?

Antwoord 11
Zie antwoord 5.

Vraag 12
Wij begrijpen dat het plan uit 2005 voldoet aan de verplichtingen van Natura 2000, klopt dat?

Antwoord 12
Nee, dat klopt niet. Zoals bij antwoord 01 al is aangegeven zijn het Landinrichtingsplan, de GGOR-visie en projectplan Waterwet plannen die elkaar opvolgen. Voor het gebied Leegveld is de GGOR-visie de basis voor het maatregelenpakket. In deze GGOR-visie is aangegeven dat hiervoor eerst nog een uitvoeringsplan moet worden opgesteld waarin de maatregelen verder worden geoptimaliseerd. Dat plan is het projectplan Waterwet.

Vraag 13
Wat zijn de deadline en het tijdspad voor dit PIP? Hangt dit samen met Europese financiering of subsidies?

Antwoord 13
Het tijdspad hangt samen met het PAS. Uitvoering van de maatregelen is een wettelijke verplichting, die in de eerste beheerplanperiode van het PAS gerealiseerd moeten zijn. Deze periode eindigt op 1 juli 2021. Dit hangt niet samen met Europese financiering of subsidies.

Vraag 14
Is in de planvorming agrarisch natuurbeheer mogelijk?

Antwoord 14
Veruit de meeste gronden waarop de PAS-herstelmaatregelen worden getroffen liggen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied, 3e herziening” van de gemeente Deurne. Op grond van deze bestemming is agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer mogelijk. De gemeente bepaalt in deze gevallen of een (agrarische) activiteit aan de bestemming voldoet. Het PIP omvat slechts een gedeelte van het gebied waarop de maatregelen worden getroffen. De gronden die opgenomen zijn in het PIP zijn bestemd als ‘Natuur’, waarbij de mogelijkheid van agrarisch natuurbeheer niet is opgenomen. Gelet op de vernatting zijn er op dit moment geen vormen van agrarisch gebruik denkbaar die aansluiten/passen bij de natuurdoelstelling. Bovendien vormt deze bestemming de onteigeningstitel, dat (ook) het gevolg is van het gegeven dat op deze percelen zelfrealisatie, vaak gebaseerd op agrarisch gebruik van de gronden, niet aan de orde is en er ook geen belangstelling voor is.

Vraag 15
Op welke wijze wordt bepaald wie het agrarisch natuurbeheer mag/kan uitvoeren?

Antwoord 15
Zie vraag 14.

Vraag 16
Kunnen de ondernemers in de attentiezone met voorrang gebruik maken van deze mogelijkheden?

Antwoord 16
Zie vraag 14.

Vraag 17
Als de ondernemers in de attentiezone zouden willen voldoen aan het criterium ‘grondgebondenheid’, kan dat dan in de nieuwe situatie?

Antwoord 17
Zie vraag 14.

Vraag 18
Op welke wijze(n) en momenten, gedurende het traject tot dusver, is er contact geweest met de gemeente Deurne, betrokken dorpsraden, en organisaties van bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden in het gebied?

Antwoord 18
Bij de voorbereiding van het projectplan Waterwet zijn er drie algemene informatiebijeenkomsten gehouden in het gebied op 11 mei 2017, 14 december 2017 en 11 juni 2018. Tijdens deze bijeenkomsten is het doel van het project toegelicht, is verteld wat de maatregelen zijn die worden uitgevoerd en zijn de aanwezigen in de gelegenheid gesteld om de vragen te stellen aan de bij het project betrokken deskundigen. Daarnaast is er periodiek ambtelijk overleg met de gemeente Deurne (gemiddeld 4 keer per jaar) en nemen ambtenaren van de gemeente Deurne deel aan de werkgroep Leegveld en het projectteam dat het PPWW heeft opgesteld en die de uitvoeringsplannen opstelt.

Bestuurlijk is de raadscommissie Ruimte & Economie tijdens drie vergaderingen geïnformeerd over de plannen Leegveld.

Een belangrijke rol is weggelegd voor de omgevingsmanager van het waterschap. De omgevingsmanager is eerste aanspreekpunt voor het gebied en gaat daar waar nodig, vaak ondersteund door deskundigen, bij de mensen langs om het project en de gevolgen daarvan toe te lichten. Hiervan is al regelmatig gebruik gemaakt.
Door de omgevingsmanager is bij verschillende dorpsraden een presentatie gegeven over het project. Alle belanghebbenden uit het gebied zijn vertegenwoordigd in de werkgroep Leegveld. Deze werkgroep is inmiddels 15 keer bijeen geweest. Tijdens bijeenkomsten van deze werkgroep worden de leden geïnformeerd over de voortgang van het project en wordt hen gevraagd de diverse producten en plannen te toetsen. Leden van de werkgroep worden ook betrokken bij het opstellen van diverse deelproducten. De werkgroep adviseert de integrale gebiedscommissie Peelvenen (IGC)

Er is een website (www.aaenmaas.nl/leegveld) waarop informatie staat over het project, de voortgang, procedures, etc. Ook kan men hierop de diverse documenten m.b.t. het project vinden. Er wordt periodiek een nieuwsbrief uitgebracht en verstuurd naar de geïnteresseerden. Deze nieuwsbrieven zijn ook terug te vinden op bovenstaande website

Vraag 19
Hoe zijn c.q. worden de communicatie en informatievoorziening richting al deze betrokken partijen verder georganiseerd?

Antwoord 19
De communicatie zal in grote lijnen gelijk zijn zoals beschreven in antwoord 18. Vooruitlopend op de uitvoering worden één of meerdere informatiebijeenkomsten georganiseerd. De werkgroep Leegveld zal in de vorm van een werkbegeleidingscommissie betrokken blijven bij de uitvoering.

Beantwoording technische vragen over PIP PAS Leegveld – Deurne (28 november 2018)