Schriftelijke vragen over GHB in Brabant

Schriftelijke vragen van Statenlid Marcel Deryckere over GHB in Brabant.

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen over GHB in Brabant.

Geacht college,

In de afgelopen weken zag Nederland in de documentairereeks Tygo in de GHB het schrikbarende gebruik van GHB onder jongeren in o.a. West-Brabant.

Het is algemeen bekend dat de productie en het gebruik van (hard)drugs in onze provincie een groot en wijdverbreid probleem zijn. GHB is daar helaas maar een van de vele voorbeelden van.

Tygo in de GHB schetst een onthutsend beeld van het gebruik van, de verslaving aan en de gevolgen van GHB voor de Brabantse samenleving. De serie laat zien hoe deze en andere drugs zowel mensen als de samenleving kapot maken.

Drugspreventie, verslavingszorg en drugsbestrijding zijn geen kerntaken van de provincie, maar de zorgwekkende situatie in specifiek Brabant vraagt om actie. De overheid heeft immers een verantwoordelijkheid als het gaat om het beschermen van de samenleving tegen de gevaren en gevolgen van drugs.

En ook de provinciale overheid moet hier haar verantwoordelijkheid nemen, vindt het CDA.

Daarom de volgende vragen:

01. Bent u bekend met de documentairereeks Tygo in de GHB, uitgezonden door de EO op NPO3?

02. Zijn er cijfers bekend over het gebruik van GHB in Brabant?

  1. Indien ja, wat zijn deze cijfers?
  2. Indien niet, is het mogelijk deze cijfers voortaan te gaan verzamelen en bijhouden?

03. In Tygo in de GHB komt het beeld naar voren dat er in Brabant te weinig verslavingszorg is.

  1. Herkent u dit beeld?
  2. Bent u bereid om, in samenwerking met andere overheden en de verslavingszorg, dit probleem aan te pakken?

04. Brabant heeft de ambitie om te komen tot nul verkeersdoden. In Tygo in de GHB komen verschillende momenten naar voren dat mensen onder invloed van drugs achter het stuur kruipen en zich in het verkeer begeven.

  1. Zijn er cijfers bekend over drugsgebruik in het Brabantse verkeer?
  2. Kent de verkeersveiligheidscampagne Brabant gaat voor NUL verkeersdoden een preventieve aanpak t.a.v. drank- als drugsgebruik in het verkeer? Indien niet, waarom niet?
  3. Vinden er voorafgaand aan, tijdens en na Brabantse evenementen, zoals festivals, preventie, drugstesten en controles plaats?  

05. In Tygo in de GHB zien we op een gegeven moment hoe de politie een GHB-gebruiker van de weg haalt. Na enkele uren in de cel treden zulke heftige ontwenningsverschijnselen op dat de persoon volgens een arts een nieuwe dosis nodig heeft. Zonder verhoor of sanctie wordt de persoon op straat gezet. De kans dat deze persoon opnieuw GHB gebruikt, in de auto stapt en zichzelf en andere weggebruikers in gevaar brengt is groot.

  1. Is bij u bekend hoe vaak situaties als deze in Brabant voorkomen?
  2. Bent u bereid om samen met bijvoorbeeld de politie en Rijksoverheid te onderzoeken hoe situaties als deze in de toekomst tegen te gaan?

06. De tekortschietende politiecapaciteit in onze provincie is al lange tijd een bron van zorg. Hierover hebben Provinciale Staten al eerder uitspraken gedaan en de minister van Justitie en Veiligheid heeft onze provincie extra agenten toegezegd. Is deze extra capaciteit volgens u voldoende om in de aanpak van het Brabantse drugsprobleem wezenlijk verschil te kunnen maken?

Wij zien de antwoorden op deze vragen graag tegemoet, waarvoor bij voorbaat hartelijk bedankt.

Met vriendelijke groet,

Namens de CDA-fractie,

Marcel Deryckere

Spreektekst Caroline van Brakel – Debat over de Brabantse Omgevingsvisie op 14/12

Spreektekst1 Caroline van Brakel – Lid Provinciale Staten Noord-Brabant
Debat over de Brabantse Omgevingsvisie
(14-12-2018)

Voorzitter,

Voor ons ligt de Brabantse Omgevingsvisie. De inhoud deugt, het doorlopen proces deugt: hier mogen we trots op zijn. Dank aan allen die hieraan hebben meegewerkt.

In de Omgevingsvisie staat onze gezondheid centraal en daartoe hebben we als provincie vijf hoofdopgaven geformuleerd.

01. De basis op orde. We moeten zuinig zijn op onze aarde, onze omgeving oftewel op ons milieu. En heel elementair bezien dus op onze vier elementen: aarde (bodem), water, vuur (energie) en lucht. Eigenlijk is het al een hele uitdaging om álle partijen, sectoren en branches ‘hun ding’ te laten doen zonder schade toe te brengen aan deze elementen.

Vervolgens zien we voor de middellange toekomst een viertal uitdagingen op ons afkomen.

02. Klimaatadaptatie.

03. De energietransitie.

04. Een concurrerende duurzame economie.

05. De slimme netwerkstad.

Wij zijn blij dat onze inbreng tijdens het proces in de provinciale Omgevingsvisie is meegenomen: het afzonderlijk benoemen van onze zorg voor de elementaire elementen. En onlangs hebt u ook toegezegd nadrukkelijker een relatie te willen maken met onze zuiderburen, temeer omdat dit kansen biedt voor een aantal van de opgaven waarvoor wij staan. Denk aan de energietransitie, maar ook bijvoorbeeld aan het gebruik van het luchtruim.

Ook zijn we blij dat in het stuk al een aanzet wordt gemaakt tot de gewenste cultuuromslag. Het gaat bij de Omgevingsvisie namelijk niet alleen om de inhoud, maar óók om het terugleggen van een stuk verantwoordelijkheid voor onze omgeving én voor de uitdagingen waarvoor we staan bij de samenleving, bij de Brabanders. Dat betekent dat we veel meer moeten gaan initiëren en faciliteren in plaats vanachter het bureau op te schrijven wat vooral niet (meer) mag dan wel gewenst is.

Tevens willen we integraler gaan kijken: vanuit meerdere disciplines goede afwegingen maken. Er zijn kenners, specialisten die beweren dat het juist om déze cultuuromslag gaat, en dat dit feitelijk ook mogelijk is binnen het huidige stelsel aan wet- en regelgeving v.w.b. onze fysieke leefomgeving. Desalniettemin, ons helpt het om nu in één oogopslag te kunnen zien waar wij als provincie voor staan. Het betreft niet al onze kerntaken, maar wel veel.

De beoogde cultuuromslag wordt nu benoemd als diep, rond en breed kijken.

Een goed begin is het halve werk, zou je zeggen. Ja dat is zo, maar het échte werk waar het in de Omgevingsvisie om draait, gaat nu pas beginnen. En ook het onderliggende instrumentarium, de Omgevingswet, is daarin bepalend. Een hele mooie uitdaging voor onze nieuwe Staten om hier verder vorm en inhoud aan te geven.

Toch nog een aantal tips:

  • Zoeken naar constructies waarin nadrukkelijker lasten maar ook lusten worden gedeeld (denk aan het meeprofiteren van goedkope energie door de directe omgeving bij windmolens of nabij een vliegveld). Anders vertaald: we moeten op zoek naar nieuwe solidariteiten, dichter bij onze mensen, onze Brabanders. Hiermee kunnen we zorgen voor meer draagvlak.
  • Bedenk formuleringen in ‘geboden’ i.p.v. ‘verboden’. Of anders gezegd: verleiden i.p.v. verbieden.
  • Als we de gezondheid van onze Brabanders centraal stellen, en daartoe vooral zorg hebben en houden voor een goede gesteldheid van onze basiselementen, dan zou één eenduidige verordening hieromtrent t.b.v. alle partijen, sectoren en branches afdoende moeten zijn. Ofwel, wij zien het als een uitdaging om dusdanig consequent beleid op te stellen dat daarop aanvullend sectorspecifiek beleid niet nodig is. In die zin dus voor m.n. ‘de basis op orde’ wellicht toch sprake van ‘gelijke monniken, gelijke kappen’. En dit is een uitdaging, bijvoorbeeld voor vliegvelden, hoogspanningskabels, maar ook de landbouw.

We stellen een reactie van de gedeputeerde op deze tips op prijs. Dank.

Tot zover.

1 Alleen het gesproken woord telt.

Spreektekst Caroline van Brakel Brabantse Omgevingsvisie (14 december 2018)

Spreektekst Marianne van der Sloot – Debat over “PAS Leegveld, Deurne” op 07/12

Spreektekst1 Marianne van der Sloot – Lid Provinciale Staten Noord-Brabant
Debat over het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) “PAS Leegveld, Deurne”
(07-12-2018)

Voorzitter,

Dit voorstel over natuurontwikkeling in Deurne is landelijk nieuws geweest. Terecht, want het is een schitterend gebied. Met bewoners die zich grote zorgen maken over de voorgestelde plannen.

Voorzitter, als CDA hebben we veel van deze bewoners gesproken. En die zijn zeker niet tegen natuur. Maar wel tegen het onderlopen van kelders, schimmelvorming en overlast van muggen.

Het CDA kent het lange dossier van de Peelvenen. Al jaren zijn we in gesprek en in 2005 is ‘Het onverenigbare verenigt’ in een Landinrichtingsplan. In dat plan zijn afspraken gemaakt waarvan de bewoners dachten dat dát het was. Namelijk een gebied van 333 hectare. Nu blijkt dat het, nadat het plan ‘geconcretiseerd en geactualiseerd is’, om 727 hectare gaat. Blijkbaar helemaal volgens de procedures. Maar hoe kan het dat het eindplaatje zoveel verschilt van het startplaatje én vooral dat bewoners zich daar zo weinig in voelen meegenomen? Wij hebben daar grote moeite mee.

Voorzitter, de maatregelen die genomen gaan worden hebben groot effect op de omgeving, de bomen, de bedrijven in het gebied en, voor het CDA heel belangrijk, op de leefbaarheid.

Waterschade

Het waterschap heeft een schadeloket opengesteld voor waterschade. Maar bewoners vrezen jarenlange juridische procedures die veel tijd en energie kosten. Dat moeten we toch niet willen? Gedeputeerde, bent u bereid te onderzoeken hoe we die juridische strijd kunnen voorkomen? Bijvoorbeeld door vóóraf met vaststellingsovereenkomsten te werken.

Muggenoverlast

En dan de overlast van muggen en knutten. Die wordt in alle stukken een beetje weggeschreven. Terwijl dit een grote impact heeft op de leefbaarheid in het gebied. Voor mensen en voor dieren (bijv. blauwtong). Een ‘onderzoek naar muggen’ is een stap, maar geen verzekering. Graag horen wij van de gedeputeerde hoe we bewoners de zekerheid kunnen geven dat we overlast maximaal tegengaan en ook schade vergoeden als dat nodig blijkt.

Verder hebben we twijfels over het meenemen van de klimaatontwikkelingen in dit plan. Er zijn tegenstrijdige geluiden over óf en hoe dat is gedaan. En dat nog náást de discussie die onder wetenschappers wordt gevoerd of de voorgestelde maatregelen (ecologisch) wel de juiste zijn.

Voorzitter, dat brengt ons tot de vraag: in hoeverre kunnen we in overleg gaan met betrokken partners om de maatregelen geleidelijk in te voeren? En indien de monitoring van het natuurbeheerplan daar aanleiding toe geeft komen tot een tussentijdse aanpassing van de plannen?

Voorzitter, het moge duidelijk zijn: het CDA is zeer kritisch over dit voorstel en we zijn benieuwd naar de antwoorden van de gedeputeerde. Tot zover.

1 Alleen het gesproken woord telt.

Spreektekst Marianne van der Sloot PIP PAS Leegveld – Deurne (7 december 2018)

Beantwoording technische vragen “PAS Leegveld, Deurne”

Beantwoording technische vragen van het CDA door het provinciebestuur van Noord-Brabant
over het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) “PAS Leegveld, Deurne” (28-11-2018)

Vraag 1
Wat zijn de verschillen tussen de plannen uit 2005 (het Landinrichtingsplan ‘Het Onverenigbare Verenigt’) en de huidige plannen?

Antwoord 1
Het Landinrichtingsplan is een plan met verschillende doelstellingen. Eén daarvan is de doelstelling voor natuur. Voor hoogveen is gesteld het realiseren van levend hoogveen en andere hoogveeneigen vegetatietypen in de bestaande natuurgebieden en in de nieuwe natuurgebieden. In het Landinrichtingsplan is daarbij aangegeven dat gezien de lange ontwikkelingsduur van met name levend hoogveen dit neerkomt op het realiseren van de vereiste abiotische condities.
De doelstelling voor het hoogveen in het Natura 2000-beheerplan is zorgen voor het instandhouden en uitbreiden van de habitattypen herstellende en actief hoogveen. Het Landinrichtingsplan en het Natura 2000-beheerplan verschillen dus niet wat betreft doelstellingen. Het Landinrichtingsplan uit 2005 bevat globale inrichtingsmaatregelen. In dit landinrichtingsplan zijn maatregelen opgenomen voor het hoogveenherstel dus nog niet in detail uitgewerkt. In het plan is aangegeven dat detaillering maatwerk is en dat dit locatie specifiek uitgewerkt wordt in deelplannen. Wat betreft de wateropgave t.b.v. het hoogveenherstel is door waterschap Aa en Maas in opdracht van de provincie deze wateropgave uitgewerkt in de GGOR-inrichtingsvisie Deurnsche Peel (2011) (GGOR = Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime). De maatregelen opgenomen in de GGOR-visie vormen ook de basis voor de hydrologische maatregelen in het Natura 2000-beheerplan. De maatregelen uit het GGOR-/Natura 2000-beheerplan (2018) zijn weer verder geconcretiseerd in het projectplan Waterwet (2018). De plannen volgen elkaar op en er is geen strijdigheid tussen de plannen.

Vraag 2
Waaruit blijkt de noodzaak om veel meer te gaan vernatten t.o.v. het Landschappelijk Inrichtingsplan (LIP) 2005 om de Natura 2000-doelstelling te halen? Zijn er alternatieven onderzocht?

Antwoord 2
Zoals hierboven al is aangegeven zijn het Landinrichtingsplan, de GGOR-visie, Natura 2000-beheerplan en projectplan Waterwet plannen die elkaar opvolgen. Voor het gebied Leegveld vormt de GGOR-visie de basis voor het maatregelenpakket. In het beheerplan is aangegeven dat hiervoor eerst nog een uitvoeringsplan moet worden opgesteld, waarin de maatregelen worden geoptimaliseerd. Dat plan is het projectplan Waterwet. De hoofddoelstellingen zoals genoemd in het Landinrichtingsplan staan hierin nog steeds centraal. Overigens is het niet zo dat een groter gebied onder water wordt gezet, maar in een aantal compartimenten wordt wel voor een ander streefpeil gekozen dan in de bestuurlijk vastgestelde GGOR-visie. Soms lager en soms hoger. Reden hiervoor is dat streefpeilen beter kunnen aansluiten bij de maaiveldhoogtes van een compartiment dan beschreven in de GGOR. Dat is een belangrijke verfijning om de doelen uit het beheerplan te kunnen halen.

Vraag 3
Is met betrekking tot de huidige plannen tot overeenstemming gekomen met de betrokkenen (zoals dat in 2005 ook is gebeurd)?

Antwoord 3
Zoals hierboven al aangegeven is in het LIP opgenomen dat de detailuitwerking uitgevoerd wordt in deelplannen. Met deze werkwijze hebben de partijen door ondertekening van het Landinrichtingsplan ingestemd. De opgestelde GGOR-visie heeft ter inzage gelegen en is vastgesteld door waterschap Aa en Maas. Bij de totstandkoming van de GGOR-visie is een gebiedsproces doorlopen. Met een werkgroep van de verschillende gebiedspartijen zijn zes overleggen gehouden, waarin de modellering, de maatregelen en de effecten zijn besproken. De betrokken partijen die zitting hadden in de werkgroep waren: waterschap Aa en Maas, provincie Noord-Brabant, Staatsbosbeheer, ZLTO en afdeling Deurne, gemeente Deurne, Werkgroep Behoud de Peel, DLG, ambtelijk vertegenwoordiger van de Bestuurscommissie Peelvenen.

Vraag 4
In het laatste hydrologische model zijn de meest recente weersomstandigheden (nat en droog) en klimaateffecten niet meegenomen. Waarom niet?

Antwoord 4
Het model geeft aan welke maatregelen nodig zijn om een stabiel waterpeil in het gebied mogelijk te maken. Het model is gemaakt op basis van langjarige gemiddelden en is doorgerekend tot 2016. Onderdeel van de uit te voeren maatregelen is de aanleg van regelbare kunstwerken (stuwen), zodat beheerders in de toekomst kunnen inspelen op veranderende situaties.
Ook is rekening gehouden met regenbuien die maar eens in de 25 jaar voorkomen. In de nieuwe natuur is het mogelijk om de hoeveelheid neerslag die tijdens deze buien valt in de natuur te kunnen opvangen, zodat het watersysteem benedenstrooms wordt ontlast. Het project betekent dus een sterke verbetering van het waterbergend vermogen van het gebied. Er wordt naar gestreefd het gebied zoveel mogelijk lekdicht te houden en de waterpeilen in de hoogveenkerngebieden zo stabiel mogelijk te houden. Het levende hoogveen dat zich moet gaat vormen zal ook langdurige droogteperiodes moeten kunnen overleven. Daar is de norm voor de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) GLG op gebaseerd. Regenval en droogte zijn niet te sturen en wateraanvoer van elders in een hoogveenkern is geen optie (is zelfs een bedreiging). Welke tijdsduur van droogte ontstaat is afhankelijk van regenbuien en tijdsduur van een droge periode. Extra (Maas)water aanvoeren en vasthouden (in het gebied buiten de natuur) en daarmee extra tegendruk creëren ter compensatie is een mogelijkheid die in 2018 door het waterschap is toegepast. Dit wordt nu niet als besluit voorgelegd, want dat is onderdeel van waterbeheer in (extreem) droge perioden. Resumerend, het berekenen van een droogvalduur heeft geen invloed op (extra) maatregelen. Hoogveengebieden hebben in een droge periode de hoogste prioriteit voor aanvoer van water in de omgeving (= categorie 1). Huidig beleid is de optimale waarborg voor het voorkomen van schade in het hoogveengebied als gevolg van droogte.

Vraag 5
Waarom vindt op korte termijn besluitvorming ten aanzien van de vaststelling van de plannen plaats, terwijl de hydrologische gevolgen binnen en buiten het plangebied niet volledig inzichtelijk zijn?

Antwoord 5
Met behulp van grondwatermodellen en schadeberekeningen is onderzocht waar en hoe groot de wateroverlast zal zijn als gevolg van het project Leegveld. De gebieden waar mogelijk wateroverlast/-schade zal ontstaan zijn bekend. In overleg met de betrokkenen worden maatregelen opgesteld om deze schade te mitigeren. Met het grondwatermodel en monitoringsnetwerk voor de nulsituatie en effecten bestaat er goed inzicht in de grondwaterstanden en onverwachte wijzigingen hiervan. In het voorkomende geval dat zich toch situaties voordoen die zorgen voor wateroverlast dan zijn maatregelen voorhanden om zo nodig in te kunnen grijpen. De maatregelen die op voorhand getroffen worden zijn het aanleggen van (peilgestuurde) drainage en het ophogen van percelen.
Het bestaande netwerk van peilbuizen in dit gebied is uitgebreid met circa 60 peilbuizen. Met behulp van deze peilbuizen wordt automatisch de grondwaterstand in het gebied gemeten. Met behulp van dit meetnetwerk zal in de periode na aanleg gemonitord worden wat de effecten zijn van de maatregelen. De gegevens van de peilbuizen zijn door eenieder in te zien op:  https://aaenmaas.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=8654c063515546d4a8adc800a560921b.
Voorafgaand aan de start van de uitvoering wordt een bebouwingsopname uitgevoerd bij woningen/gebouwen rondom het natuurgebied.

Vraag 6
Op dit moment is er grote overlast van muggen in het gebied, wat wordt daaraan gedaan? Dit mede gelet op de geplande ontwikkelingen (en nog meer kans op muggen).

Antwoord 6
Bij de planvorming van het project Leegveld wordt gebruik gemaakt van de aanwezige kennis en ervaring uit eerdere deelprojecten. Op basis van deze onderzoeken zijn de factoren die een rol spelen bij de ontwikkeling en verspreiding van de overlast gevende moerassteekmuggen en knutten bekend. Het is bekend waar broedplaatsen kunnen ontstaan en hoe muggen zich kunnen verspreiden. Wageningen Environmental Research adviseert provincie en waterschap bij dit project om te komen tot een inrichting die voorkomt dat de huidige overlast van muggen groter wordt. Een heel belangrijke maatregel is het voorkomen van langdurig tijdelijk water. Dit is water dat niet in verbinding staat met permanent water en dus geen natuurlijke vijanden bevat. Monitoring na aanleg is ook een belangrijk middel om overlast te kunnen vaststellen. Vooruitlopend op het project wordt in 2018, 2019 en 2020 op diverse locaties in het gebied gemonitord naar muggen en knutten. In de jaren na afronding van de maatregelen zal ook gemonitord worden om te bewaken hoe die muggen en knutten zich gaan ontwikkelen. Ook in de fase na de uitvoering zijn maatregelen mogelijk om overlast te voorkomen.

Vraag 7
Bij recreatieve en agrarische ondernemers kan er directe economische schade ontstaan door deze muggenoverlast. Waarom is er geen schadeloket voor schade door muggenoverlast, zoals er wel een loket voor natschade is?

Antwoord 7
Het loket voor natschade vloeit voort uit een wettelijke plicht (zie vraag 8), dat is niet het geval bij muggenoverlast. Het PIP en het projectplan zijn (uiteraard) niet gericht op muggenoverlast, het voorkomen of beperken van muggenoverlast is bovendien geen belang dat onder de doelstellingen van de Waterwet valt. In het kader van het woon- en leefklimaat is er bij het maken van de plannen veel aandacht geweest voor de overlast van muggen. De plannen en besluiten bevatten voorzorgsmaatregelen om verdere overlast van muggen en knutten tegen te gaan (zie hiervoor). Met deze maatregelen verwachten wij dat er geen verdere toename van overlast zal plaatsvinden door de voorliggende plannen.

Vraag 8
Zijn de mogelijkheden voor een schadefonds onderzocht, waarin vóóraf schadeloosstelling plaatsvindt om zo jarenlange juridische procedures te voorkomen?

Antwoord 8
Dit is niet onderzocht, omdat de Waterwet een regeling biedt voor afhandeling van natschade. In het projectplan wordt met betrekking tot natschade verwezen naar de geldende verordening schadevergoeding van het waterschap. Indien er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat het verzoek om schadevergoeding zal worden toegekend, kan een voorschot verleend worden.
Naast het projectplan heeft GS een grondstrategieplan vastgesteld voor situaties waarin de maatregelen een zodanige inbreuk maken op de belangen van derden dat ze redelijkerwijs nopen tot onteigening. De aan de belanghebbende toe te kennen schadevergoeding wordt in dergelijke gevallen vastgesteld overeenkomstig de uitgangspunten van de Onteigeningswet.

Vraag 9
Enkele ondernemers in het gebied worden uitgekocht. Waarom worden niet gehele bedrijven opgekocht, maar blijven ondernemers achter met ‘stukjes’ zoals hun woonhuis of stukje van een bedrijf, waarmee ze niet of nauwelijks inkomen kunnen hebben?

Antwoord 9
De Onteigeningswet voorziet in deze situatie in artikel 38. Kort gezegd komt het hierop neer dat:
• Gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt, moeten op vordering van de eigenaar door de Provincie geheel worden overgenomen.
• Ditzelfde zal met erven moeten geschieden, wanneer er door de onteigening 25% of minder van overblijft of het restant kleiner dan 10.000m2 wordt.
De aanbiedingen die we doen worden gebaseerd op het wettelijke systeem. Dit betreft een soort vangnet. Echter, in het minnelijke overleg wordt ook onderzocht of wellicht overname van het hele bedrijf mogelijk is indien hierom wordt verzocht en strikt genomen niet wordt voldaan aan de criteria van artikel 38 Onteigeningswet. Wat we immers juist willen voorkomen is dat door de onteigening ondernemers onvoldoende inkomen meer kunnen behalen op het overblijvende gedeelte van hun bedrijf.

Wellicht ten overvloede nog het volgende:
– De eigenaar wordt door de onteigeningsvergoeding in de gelegenheid gebracht om elders grond te kopen. Of hij hiervan gebruik maakt is aan de eigenaar.
– In de onteigeningsvergoeding is het uitgangspunt dat alle schade wordt gecompenseerd (volledige schadeloosstelling) en wordt dus ook rekening gehouden met inkomensschade/investeringsschade en bijkomende schade.

Vraag 10
Het LIP en de gebiedsvisie Leegveld stellen dat er t.a.v. de ondernemers in de attentiezone voldoende economische perspectieven moeten worden geboden. Hoe is dat geborgd in het plan?

Antwoord 10
In het Landinrichtingsplan zijn diverse doelstellingen opgenomen voor het gebied. De uitwerking van deze verschillende doelstellingen vindt plaats door middel van deelprojecten. De uitwerking van de doelstelling voor de landbouw maakt geen onderdeel uit van het projectplan Waterwet.
In de gebiedsvisie Leegveld is aangegeven dat het waterschap Aa en Maas de regie voert op de uitwerking en uitvoering van de hydrologische en ecologische maatregelen. Voor de overige maatregelen in het gebied zijn andere partijen als trekker verantwoordelijk. Voor het thema landbouw is aangegeven dat dit de agrariërs zijn.

Vraag 11
Is er een 0-meting geweest in het gebied met betrekking tot wateroverlast aan woningen, gewassen etc. voorafgaand aan het nemen van de eerste maatregelen?

Antwoord 11
Zie antwoord 5.

Vraag 12
Wij begrijpen dat het plan uit 2005 voldoet aan de verplichtingen van Natura 2000, klopt dat?

Antwoord 12
Nee, dat klopt niet. Zoals bij antwoord 01 al is aangegeven zijn het Landinrichtingsplan, de GGOR-visie en projectplan Waterwet plannen die elkaar opvolgen. Voor het gebied Leegveld is de GGOR-visie de basis voor het maatregelenpakket. In deze GGOR-visie is aangegeven dat hiervoor eerst nog een uitvoeringsplan moet worden opgesteld waarin de maatregelen verder worden geoptimaliseerd. Dat plan is het projectplan Waterwet.

Vraag 13
Wat zijn de deadline en het tijdspad voor dit PIP? Hangt dit samen met Europese financiering of subsidies?

Antwoord 13
Het tijdspad hangt samen met het PAS. Uitvoering van de maatregelen is een wettelijke verplichting, die in de eerste beheerplanperiode van het PAS gerealiseerd moeten zijn. Deze periode eindigt op 1 juli 2021. Dit hangt niet samen met Europese financiering of subsidies.

Vraag 14
Is in de planvorming agrarisch natuurbeheer mogelijk?

Antwoord 14
Veruit de meeste gronden waarop de PAS-herstelmaatregelen worden getroffen liggen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied, 3e herziening” van de gemeente Deurne. Op grond van deze bestemming is agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer mogelijk. De gemeente bepaalt in deze gevallen of een (agrarische) activiteit aan de bestemming voldoet. Het PIP omvat slechts een gedeelte van het gebied waarop de maatregelen worden getroffen. De gronden die opgenomen zijn in het PIP zijn bestemd als ‘Natuur’, waarbij de mogelijkheid van agrarisch natuurbeheer niet is opgenomen. Gelet op de vernatting zijn er op dit moment geen vormen van agrarisch gebruik denkbaar die aansluiten/passen bij de natuurdoelstelling. Bovendien vormt deze bestemming de onteigeningstitel, dat (ook) het gevolg is van het gegeven dat op deze percelen zelfrealisatie, vaak gebaseerd op agrarisch gebruik van de gronden, niet aan de orde is en er ook geen belangstelling voor is.

Vraag 15
Op welke wijze wordt bepaald wie het agrarisch natuurbeheer mag/kan uitvoeren?

Antwoord 15
Zie vraag 14.

Vraag 16
Kunnen de ondernemers in de attentiezone met voorrang gebruik maken van deze mogelijkheden?

Antwoord 16
Zie vraag 14.

Vraag 17
Als de ondernemers in de attentiezone zouden willen voldoen aan het criterium ‘grondgebondenheid’, kan dat dan in de nieuwe situatie?

Antwoord 17
Zie vraag 14.

Vraag 18
Op welke wijze(n) en momenten, gedurende het traject tot dusver, is er contact geweest met de gemeente Deurne, betrokken dorpsraden, en organisaties van bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden in het gebied?

Antwoord 18
Bij de voorbereiding van het projectplan Waterwet zijn er drie algemene informatiebijeenkomsten gehouden in het gebied op 11 mei 2017, 14 december 2017 en 11 juni 2018. Tijdens deze bijeenkomsten is het doel van het project toegelicht, is verteld wat de maatregelen zijn die worden uitgevoerd en zijn de aanwezigen in de gelegenheid gesteld om de vragen te stellen aan de bij het project betrokken deskundigen. Daarnaast is er periodiek ambtelijk overleg met de gemeente Deurne (gemiddeld 4 keer per jaar) en nemen ambtenaren van de gemeente Deurne deel aan de werkgroep Leegveld en het projectteam dat het PPWW heeft opgesteld en die de uitvoeringsplannen opstelt.

Bestuurlijk is de raadscommissie Ruimte & Economie tijdens drie vergaderingen geïnformeerd over de plannen Leegveld.

Een belangrijke rol is weggelegd voor de omgevingsmanager van het waterschap. De omgevingsmanager is eerste aanspreekpunt voor het gebied en gaat daar waar nodig, vaak ondersteund door deskundigen, bij de mensen langs om het project en de gevolgen daarvan toe te lichten. Hiervan is al regelmatig gebruik gemaakt.
Door de omgevingsmanager is bij verschillende dorpsraden een presentatie gegeven over het project. Alle belanghebbenden uit het gebied zijn vertegenwoordigd in de werkgroep Leegveld. Deze werkgroep is inmiddels 15 keer bijeen geweest. Tijdens bijeenkomsten van deze werkgroep worden de leden geïnformeerd over de voortgang van het project en wordt hen gevraagd de diverse producten en plannen te toetsen. Leden van de werkgroep worden ook betrokken bij het opstellen van diverse deelproducten. De werkgroep adviseert de integrale gebiedscommissie Peelvenen (IGC)

Er is een website (www.aaenmaas.nl/leegveld) waarop informatie staat over het project, de voortgang, procedures, etc. Ook kan men hierop de diverse documenten m.b.t. het project vinden. Er wordt periodiek een nieuwsbrief uitgebracht en verstuurd naar de geïnteresseerden. Deze nieuwsbrieven zijn ook terug te vinden op bovenstaande website

Vraag 19
Hoe zijn c.q. worden de communicatie en informatievoorziening richting al deze betrokken partijen verder georganiseerd?

Antwoord 19
De communicatie zal in grote lijnen gelijk zijn zoals beschreven in antwoord 18. Vooruitlopend op de uitvoering worden één of meerdere informatiebijeenkomsten georganiseerd. De werkgroep Leegveld zal in de vorm van een werkbegeleidingscommissie betrokken blijven bij de uitvoering.

Beantwoording technische vragen over PIP PAS Leegveld – Deurne (28 november 2018)

Schriftelijke vragen over een experiment met cameratoezicht in de Biesbosch

Schriftelijke vragen van Statenlid Roland van Vugt over een experiment met cameratoezicht in de Biesbosch.

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen over een experiment met cameratoezicht in de Biesbosch.

Geacht college,

Het dealen van drugs en het dumpen van drugsafval in het Brabantse buitengebied is inmiddels een dagelijkse praktijk geworden. Ook de uitgestrekte Biesbosch is kwetsbaar voor deze criminele activiteiten. Bijzonder aan het Noordwaard-gedeelte van dit natuurgebied is dat er slechts één doorgaande route is, via de Bandijk, van en naar de Biesbosch. Een andere route om het gebied in te komen is via de veerpont bij de Kop van ‘t Land. Kortom, een zeer beperkt en overzichtelijk aantal entrees. Mede om die reden lijkt het CDA dit een aangewezen plek voor een experiment met cameratoezicht.

Graag zien wij dat u in samenwerking met de gemeente Werkendam, of vanaf 1 januari a.s. met de nieuwe gemeente Altena, de opsporingsdiensten en andere relevante partijen een experiment start voor cameratoezicht in de Biesbosch. 

Het gezamenlijke belang is dat drugsgerelateerd, crimineel gedrag ondermijnend werkt op de openbare orde, volksgezondheid, natuur, milieu en leefbaarheid in deze regio.

De ervaringen met een dergelijk experiment bieden wellicht een nieuw instrumentarium in de strijd tegen drugsgerelateerde criminaliteit, waarbij de overheid als geheel aan de lat staat.

Het CDA heeft daarom voor u de volgende vragen:

  1. Bent u, gelet op de specifieke kenmerken van het Werkendamse Biesbosch-gedeelte, bereid hier in overleg met betrokken partijen een experiment met cameratoezicht te faciliteren?
  2. Wilt u hierover op korte termijn met deze partijen in gesprek gaan?
  3. Wilt u ons informeren over de verdere uitwerking van een dergelijk experiment?

Wellicht kunt u zich laten inspireren door projecten met cameratoezicht in Gelderland en Zuid-Holland, waaraan de betreffende provincies hebben bijgedragen.

Voorbeeld provincie Gelderland:

https://www.destentor.nl/deventer/provincie-betaalt-twee-ton-mee-aan-cameratoezicht-bedrijventerreinen~ace69db9/.

Voorbeeld provincie Zuid-Holland:

https://www.politie.nl/nieuws/2017/november/23/07-provincie-zuid-holland-helpt-politie-met-opsporing-door-deelname-‘camera-in-beeld’.html.

Wij zien de antwoorden op deze vragen graag tegemoet, waarvoor bij voorbaat hartelijk bedankt.

Met vriendelijke groet,

Namens de CDA-fractie,

Roland van Vugt

CDA: het is tijd voor Code Groen

Het is tijd voor Code Groen, aldus het CDA in reactie op de begroting 2019 van de provincie Noord-Brabant. Nu het vertrouwen in de politiek laag is, Code Oranje, en sommige ontwikkelingen in onze provincie aanleiding geven tot Code Rood, zou in Brabant een andere wind kunnen gaan waaien.

Voor de hoek waaruit die wind moet komen, doet het CDA vandaag een voorzet tijdens het debat over de provinciebegroting in Provinciale Staten, het Brabantse parlement. De partij komt met een aantal voorstellen die de begroting op een aantal belangrijke onderdelen aanvult of aanpast.

Meest in het oog springend is het voorstel van het CDA om de stadslogistiek, de bevoorrading van de vijf grootste Brabantse steden, in 2025 emissieloos te laten plaatsvinden. De partij constateert dat de explosieve groei van de pakketbezorging leidt tot meer pakketverkeer in stads- en dorpscentra. Dit leidt tot ongewenste neveneffecten als uitstoot van fijnstof, parkeerproblemen, geluidsoverlast en gevaarlijke verkeerssituaties. Het CDA wil hier paal en perk aan stellen door het sluiten van een Brabantse ‘Green Deal’ tussen de B5-gemeenten, bedrijven, vervoerders, onderwijsinstellingen en consumenten.

Het CDA wil ook dat de provincie twee ton vrij maakt voor een experiment met cameratoezicht, kentekenregistratie en andere robuuste maatregelen tegen (drugs)afvaldumpers in de Biesbosch. Daarnaast pleit het CDA voor een juridische ‘gereedschapskist’ voor gemeentes die verloederde vakantieparken willen aanpakken.

Verder komt het CDA tijdens het begrotingsdebat met een voorstel dat de provincie opdraagt erop toe te zien dat de zorg voor Q-koorts slachtoffers door gemeenten en via belangenvereniging Q-support blijft geborgd. “Hier heeft de overheid een grote verantwoordelijkheid”, vindt fractievoorzitter Marianne van der Sloot.

Het CDA vraagt in het begrotingsdebat ook aandacht voor de slechte bereikbaarheid van bedrijventerreinen met het openbaar vervoer. Op veel Brabantse bedrijventerreinen liggen de banen voor het oprapen, maar zijn deze letterlijk onbereikbaar voor wie niet over een rijbewijs of auto beschikt. Het CDA dringt er bij het provinciebestuur op aan binnen de huidige OV-concessies te gaan kijken hoe dit probleem op korte termijn kan worden opgelost.

Andere voorstellen van het CDA gaan o.a. over versterking van lokale journalistiek, het afschaffen van de leges voor het melden van faunaschade en meer aandacht voor vergrijzing en de doelgroep senioren.

Provinciale Staten debatteren vandaag de gehele dag over de provinciebegroting. Aan het einde van de dag wordt er over de begroting en de door politieke partijen ingediende voorstellen, moties en amendementen, gestemd.

Marianne van der Sloot: “Aan de hand van deze begroting constateren we als CDA dat in Brabant in 2019 e.v. hier en daar de zon doorbreekt, bijvoorbeeld boven Hooipolder, maar dat zonder ingrijpen de kans op Code Oranje en Code Rood reëel blijft. Dat moeten we zien te voorkomen, dus daarom komt het CDA vandaag onder de naam Code Groen met een reeks voorstellen die de weersverwachting voor komend jaar aanzienlijk moet verbeteren: meer zon, minder bewolking, een hogere gevoelstemperatuur en een kleinere kans op neerslag. Tijd voor Code Groen.”

Spreektekst Kees de Heer – Debat over innovatie life sciences & health op 31/08

Spreektekst1 Kees de Heer – Lid Provinciale Staten Noord-Brabant 
Debat over het Uitvoeringsprogramma innovatie life sciences & health 2018-2022
(31-08-2018)

Voorzitter,

Vandaag bespreken we het Uitvoeringsprogramma innovatie life sciences & health, waarin het gaat over uitdagingen en kansen en twee programmalijnen rondom zorgvraagstukken. Het gaat dan over een, aldus de opstellers, innovatieve en technologisch intensieve sector.
Kortom, een tak van sport waar Brabant goed in is en ook goed in wil blijven.

De CDA-fractie volgt die denklijn en we hebben dan ook met belangstelling het voorstel gelezen.

Bij eerste lezing is het een helder document met een duidelijke marsroute. De aandachtsgebieden zijn goed in kaart gebracht en ook de kansen en bedreigingen.

Maar bij nadere bestudering bekruipt mij toch het gevoel dat dit document wel op een strategisch heel hoog niveau beschreven is en minder transparant is dan je zou willen.
Bijvoorbeeld, wie hebben er deelgenomen aan de werkgroepen, wie zijn de experts, welke ondernemers zijn aanwezig geweest enz.?

Het is een heel bedrijfskundige benadering. Dat lees je ook terug aan het adviesbureau dat is ingehuurd. Op de website presenteren zij zich als volgt: klanten worden ondersteund bij het realiseren van snellere en stabiele groei, hogere winsten en een grotere ondernemingswaarde. Dit is dus het bureau dat ons verder moet helpen bij het ontwikkelen van het Uitvoeringsprogramma.
Kortom, het programma richt zich dus heel sterk op het ondernemingsklimaat van Brabant. Het richt zich op het versterken van de concurrentiepositie van onze provincie ten opzichte van andere hightech regio’s. En daarmee dreigt het op zichzelf te komen staan en de verbinding met de inwoners van Brabant te verliezen.

Zoals gezegd: dit alles mondt uit in twee programmalijnen rondom innovatie en de verbinding tussen markt en patiënt. Let op de gebruikte terminologie: ik had hier liever het woord cliënt gelezen, dat drukt minder afhankelijkheid uit en meer gelijkwaardigheid.
En dit leidt weer tot maar liefst zes actielijnen.

En hier komen we op de tweede zorg van de CDA-fractie: dreigt de inzet van de provincie niet te zeer te versnipperen? Vijf miljoen euro over zes actielijnen verdeeld over twee jaar.  Hoe groot kan de rol van de provincie zijn in deze programmalijnen?

En welke visie zit hierachter? De CDA-fractie vindt dat economische ontwikkelprogramma’s, want daar praten we hier over, nadrukkelijk ten goede moeten komen van de inwoners van Brabant. Niet alleen in termen van werkgelegenheid, maar meer nog in termen van gezond burgerschap. Daarom willen wij nadrukkelijk inzetten op actie nr. 6: het creëren van een robuuste proeftuin voor innovaties in de thuisomgeving.

Brabanders mogen best merken dat ze wonen en leven in een hightech omgeving, ze zouden daar beter en sneller de vruchten van moeten kunnen plukken. Hier kan de provincie het verschil maken. Heel terecht wordt in deze actielijn dan ook gesteld dat de uitgangspunten zijn: het centraal stellen van de gebruiker, standaardisatie, open innovatie en systematische co-creatie met gebruikers in hun thuisomgeving. In het economische programma Brabant staat dit ook met zoveel woorden. Het gaat om goede en betaalbare gezondheidzorg. En goede gezondheidzorg is zorg dicht bij mensen.
Ten slotte de financiële onderbouwing. Verwacht wordt dat de verstrekte leningen worden terugbetaald en daarmee de norm van 40% revolverendheid bereikt.

Nog twee vragen:

  1. Kan de gedeputeerde aangeven op welke wijze het begrotingsvoorstel tot stand is gekomen? In het voorstel wordt aangegeven dat er toch nogal wat onzekerheden, afhankelijkheden enz. zijn. In het kader van realistisch ramen is onze fractie benieuwd waarom het dan geen vier of zes miljoen euro is geworden.
  2. In het voorstel wordt gesproken over grotendeels revolverend. In de bijlage lezen we echter terug dat het slechts wordt ingezet op 40% van de middelen revolverend. Met andere woorden: 60% van deze middelen kunnen we niet nogmaals inzetten voor Brabant.
    Kan de gedeputeerde aangeven waarom dit percentage zo laag is?

Tot zover mijn inbreng in 1ste termijn, voorzitter.

1 Alleen het gesproken woord telt.

Spreektekst Kees de Heer Uitvoeringsprogramma innovatie en life sciences & heath 2018-2022 (31 augustus 2018)

Schriftelijke vragen over onorthodoxe anti-drugsmaatregelen

Schriftelijke vragen van Statenleden Roland van Vugt, René Kuijken en Marcel Deryckere over onorthodoxe anti-drugsmaatregelen.

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen over onorthodoxe anti-drugsmaatregelen.

Geacht college,

Deze week kopte het Brabants Dagblad dat de politie in Brabant een extra toename van lozingen van drugsafval verwacht met name in afgelegen natuurgebieden. De extra dumpingen zouden te maken hebben met de extra productie van drugs vanwege de start van het festivalseizoen.

Dergelijke dumpingen zijn niet alleen slecht voor het milieu, maar leveren ook een gevaar op voor de volksgezondheid. Daarnaast zien wij ook een toenemend veiligheidsrisico voor onze inwoners, omdat drugsdumpers steeds brutaler worden en zich nietsontziend gedragen. Je zult als argeloze bezoeker in een afgelegen Brabants natuurgebied maar bij toeval op dumpende criminelen stuiten.

Inmiddels is ons en u genoegzaam bekend dat het toezicht in deze gebieden verre van optimaal is.

Hoewel het CDA de inspanningen van de provincie om dit probleem aan te pakken waardeert, zien wij toch nog een aantal mogelijkheden die zouden kunnen helpen. 

Wij zouden graag zien dat uw college in overleg met politie en gemeenten enkele experimenten opzet met alternatieve vormen van toezicht ter bestrijding van het dealen in en dumpen van drugs. Wij denken hierbij specifiek aan het plaatsen van camerapoorten. Een natuurgebied als de Biesbosch met slechts enkele toegangswegen zou zich wat ons betreft hiervoor prima lenen. Maar ook bij andere natuurgebieden, zoals de Loons en Drunense Duinen, zou dit een mogelijkheid kunnen zijn. Een andere variant is het inzetten van drones. Al eerder heeft onze fractie deze suggestie bij u neergelegd.

Gelet op het bovenstaande hebben wij voor u de volgende vragen:

  1. Herkent u het door de politie geschetste beeld?
  2. Bent u het met ons eens dat we ons niet bij deze dreigende werkelijkheid mogen neerleggen?
  3. Bent u er, net als wij, voor in om wellicht minder orthodoxe maatregelen te treffen die dit probleem aanpakken?
  4. Ziet u mogelijkheden voor cameratoezicht en de inzet van drones? En indien ja, welke Brabantse gebieden zouden hier volgens u voor in aanmerking komen?
  5. Welke stappen heeft u inmiddels gezet naar aanleiding van onze eerder gedane suggesties ten aanzien van de inzet van drones?
  6. Welke andere (innovatieve/onorthodoxe) maatregelen ziet u bij de bestrijding van drugsdumpingen tot de mogelijkheden behoren?

Wij zien de antwoorden op deze vragen graag tegemoet, waarvoor bij voorbaat zéér bedankt!

Met vriendelijke groet,

Namens de CDA-fractie,

Roland van Vugt, René Kuijken en Marcel Deryckere

CDA: “Opleiden voor de banen van vandaag en morgen”

Het CDA in de provincie Noord-Brabant wil dat de provincie méér doet om jongeren op te leiden voor de banen van vandaag en morgen, bijvoorbeeld in de techniek of in de zorg. Hiertoe heeft de partij schriftelijke vragen gesteld aan het Brabantse provinciebestuur.

Op 26 januari jl. bracht het CDA een werkbezoek aan het Summa College in Eindhoven, waarna Statenlid Roland van Vugt constateerde dat “er nog steeds een aantal knelpunten bestaat tussen ideaal en praktijk”.

Van Vugt:

“Eén van de zaken waar we tegen aan liepen, is dat een aantal jongeren wordt opgeleid voor beroepen van het verleden. Een voorbeeld hiervan is de installatiebranche. Leerlingen worden niet opgeleid voor de technieken van morgen. Maar werkgevers vragen bijvoorbeeld nog steeds naar vaklieden/stagiair(e)s waar vandaag behoefte aan is. Bijvoorbeeld mensen die kennis hebben van gasketels in plaats van dat ze kennis hebben van zonnepanelen of warmtepompen. Wellicht dat mede hierdoor de overgang naar een energieneutraal Brabant in 2050 niet in volle omvang tot stand komt. Een grote gemiste kans in onze ogen.”

Daarnaast kiezen nog steeds te weinig jongeren voor een technische of zorgopleiding, wat volgens het CDA o.a. wordt veroorzaakt door slechte PR.

“Nog onvoldoende wordt aan leerlingen die op het punt staan een beroepskeuze te maken duidelijk gemaakt dat met hun keuze voor een technisch of zorgberoep zij bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken, zoals een bijdrage aan gezond- en duurzaamheid. Inzet van Brabantse rolmodellen, bijvoorbeeld op basisscholen, om technische en zorgopleidingen te promoten zien wij nog steeds niet of onvoldoende terug.” Aldus Van Vugt.

De schriftelijke vragen die het CDA aan het provinciebestuur heeft gesteld zijn de volgende:

  1. Herkent u het door ons gesignaleerde knelpunt van opleiden voor beroepen van gisteren?
  2. Bent u het met ons eens dat dit voor een deel de energietransitie in de weg kan staan?
  3. Wat kunt u hier vanuit uw provinciale rol aan doen?
  4. Wat doet u momenteel hieraan?
  5. Herkent u het door ons gesignaleerde gebrek aan inzet van Brabantse rolmodellen om technische beroepen meer sexy en maatschappelijk relevant te maken? Misschien hebben we een Brabantse technovlogger nodig.
  6. Wat doet u hieraan?
  7. Wat kunt u hieraan doen?

Met deze vragen hoopt het CDA de provincie aan te sporen tot actie om tot een betere afstemming te komen tussen onderwijs, arbeidsmarkt en samenleving.

CDA op werkbezoek bij de Zorgboog in Laarbeek en Helmond

Het CDA brengt op 15 september a.s. een werkbezoek aan zorgorganisatie de Zorgboog. Aan dit werkbezoek nemen zowel leden van de Brabantse als de Helmondse CDA-fractie deel.

De Zorgboog biedt aan alle generaties een breed pakket aan diensten en expertise aan op het gebied van wonen, welzijn en zorg. Goed leven, prettig wonen en vertrouwde zorg staan daarbij centraal.

Het werkbezoek start om 12.00u op Zorgboog-locatie de Regt in Beek en Donk, waar de politici onder meer kennismaken met de raad van bestuur van de Zorgboog. Hierna bezoekt het gezelschap de woonzorglocatie Mariëngaarde in Aarle-Rixtel en het Bestuursbureau in Helmond.

Statenlid Marcel Deryckere, initiatiefnemer van het werkbezoek:

“Als CDA zijn we bijzonder vereerd dat we bij de Zorgboog te gast mogen zijn, een organisatie die zich in onze Brabantse Peelregio geweldig inzet voor mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben. Van jong tot oud.

We zijn dan ook heel nieuwsgierig naar de activiteiten van de Zorgboog en naar hun visie op kleinschalige zorg dicht bij mensen. Als Brabantse CDA-fractie zijn we in de ideale positie om voor dit soort mooie voorbeelden bovenlokale aandacht te vragen.”