Spreektekst Huseyin Bahar – Debat over de N279 Veghel-Asten op 07/12

Spreektekst1 Marcel Deryckere – Lid Provinciale Staten Noord-Brabant
Debat over het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) N279 Veghel-Asten
(07-12-2018)

Voorzitter,

Het voorliggende voorstel voor de aanpak van de N279 is onderdeel van het Bestuursakkoord Beweging in Brabant. Daar waar deze coalitie altijd grote woorden gebruikt om grote stappen en veranderingen aan te kondigen, heeft zij bij de N279 al vanaf het begin van deze periode gekozen voor stilstand, vooral weinig veranderen en alleen aanpakken als het echt knelt. Met andere woorden: het moet eerst echt pijn doen, voordat deze coalitie in actie komt. En voorzitter, iedereen weet dat zachte heelmeesters stinkende wonden maken…

Voorzitter, mobiliteit is cruciaal voor de bereikbaarheid en daarmee de leefbaarheid van een regio. Juist daar mag je van overheden verwachten dat ze lef en visie tonen. Een project van deze omvang vergt immers een doorlooptijd van vele jaren: van eerste overleg tot aan de eerste auto op deze weg. Met een beetje geluk kan je dus als gedeputeerde alleen de lintjes doorknippen n.a.v. de inspanningen van je voorgangers.

Voorzitter, het CDA was, is en blijft hier duidelijk: als ruggengraat van de regio verdient de N279 een 2×2 aanpak. Een robuuste oplossing waarbij het onderliggende wegennet wordt ontzien en het verkeer kiest voor een veilige en vlotte doorstroming van noord naar zuid en van oost naar west. Een oplossing die past bij een snel groeiende en slimme regio. Een oplossing waarbij omwonenden en belanghebbende duidelijkheid hebben voor de lange termijn én verzekerd zijn van maatregelen die passen bij een 2×2 aanpak.

Voorzitter, ik hoef geen beroep te doen op uw fantasie om in te beelden hoe een N279 als 2×2 eruit zou kunnen zien. De N279 tussen Veghel en Den Bosch is hiervan het levende bewijs. Een voorbeeld van hoe het wel kan als het CDA in de coalitie zit…

Voorzitter, graag sta ik vandaag samen met u stil bij twee onderwerpen die de Stuurgroep, omwonenden en belanghebbenden bezighouden en zorgen baren. Wij bedanken daarbij alle betrokkenen voor hun zienswijzen, petities en inspraak.

Voorzitter, op de eerste plaats is dat de wat-vraag – de nut en noodzaak van 2×2 op het gehele tracé – en op de tweede plaats een hoe-vraag – de nut en noodzaak van de lange omleiding bij Dierdonk.

Om te beginnen met het eerste punt: met uitzondering van een stuk bij Veghel heeft het gehele traject tot aan Asten een 2×1 inpassing. Met andere woorden: het was een flessenhals en het blijft een flessenhals. Ongelijkvloerse kruisingen verzachten de pijn, maar helen de wond nog niet.

De gedeputeerde stelt dat tot 2030 de nut en noodzaak van een 2×2 oplossing juridisch gezien niet zijn aan te tonen, gelet op de modelmatige prognose van het aantal verkeerbewegingen. Hiermee zou het voorstel bij een eventuele gang naar de Raad van State van tafel kunnen worden geveegd. Voorzitter, hoe kan het dat als wij dit voorstel pas in 2023 volledig hebben gerealiseerd, en daarmee dus slechts een oplossing voor 7 jaar, het juridisch niet haalbaar is om aan te tonen dat 2×2 echt noodzakelijk is?

Vragen aan de gedeputeerde zijn dan ook:

  1. Gaat het écht om de juridische houdbaarheid van een 2×2 voorstel of gaat het om de houdbaarheid van deze coalitie?
  2. Gesteld wordt dat de aanpassingen toekomstvast zijn door kunstwerken die voorbereid zijn op 2×2. Je zou bijna denken dat de gedeputeerde dit met een druk op de knop kan realiseren. Welk proces en welke doorlooptijd kunnen we tegemoetzien om van 2×1 naar 2×2 te kunnen gaan?

Voorzitter, wij zien de zgn. ‘doorloop en schakeltijd’ als een belemmering in het gehele proces. Tussen constateren en realiseren liggen jaren en jaren. Het voorliggend plan is gebaseerd op een verkeersmodel uit 2010 en berekeningen voor besluitvorming op basis van 2016. Terwijl we leven in 2018 en de weg op zijn vroegst in 2023 gereed kan zijn en plan horizon 2030 is…

Voorzitter, de filedruk is in een paar jaar tijd hard toegenomen en zal de komende jaren blijven stijgen. De basis van onze besluitvorming kan en moet actueler en moet van verkeersberekeningen naar verkeerstellingen. Zoals aangekondigd door collega Otters dienen wij daarom een motie in om echt werk te maken van 2×2 op de N279 en te meten wat de mensen al dagelijks voelen.

Voorzitter dan mijn tweede punt: de nut en noodzaak van de lange omleiding bij Dierdonk. Een onderwerp waar we veel inspraak en zienswijzen op hebben gehad. Laat ik beginnen met de oordelen van Brabant Advies en van de Commissie MER.

Brabant Advies

Bij de keuze voor 2×1 hebben wij de volgende aandachtspunten. 1e punt: draag een expliciete koers uit. Dit kan het plan sterker legitimeren dan nu het geval is.

Commissie MER

Hoe de weging tussen de verschillende alternatieven heeft plaatsgevonden en hoe de keuze is gemaakt, is voor de Commissie onduidelijk.

Voorzitter, als adviesorganen met deskundigen tot dergelijke oordelen komen, dan mag je als overheden ook goed nadenken of je keuze voor de omleiding voldoende is onderbouwd. Hoe kunnen we legitimeren dat een halve oplossing, namelijk 2×1 op de omleiding, toch echt de juiste keuze is? Hoe kunnen we legitimeren dat we het prachtige natuurgebied aantasten en dat de wijk Dierdonk de komende jaren nog steeds tussen twee druk gebruikte wegen ingeklemd zit?

En dit tegen een meerprijs van 45 miljoen euro… Als CDA zijn we daarom ook van mening dat op dit onderdeel een pas op de plaats nodig is.

Vragen aan de gedeputeerde zijn dan ook:

  1. Waarom is ervoor gekozen om de lange omleiding niet als wijzigingsbevoegdheid in het PIP op te nemen?
  2. Hoe zorgvuldig is de besluitvorming over de lange omleiding geweest en wat zijn de feitelijke argumenten waarmee dit is onderbouwd?

Voorzitter, in alle elementen van het voorliggende plan wordt geschermd met de planperiode tot 2030. Echter, als het om de lange omleiding gaat wordt geacht of verwacht dat we zonder meer kunnen voorsorteren op de periode ná 2030. Als CDA dienen wij een motie in om de afwegingen en argumenten inzichtelijk te maken op alle aspecten voor deze twee varianten.

Voorzitter ik kom tot een afronding. Uitgaand van een realisatie per 2023 zijn we al bijna een decennium in gesprek om tot een oplossing te komen. Deze regio schreeuwt om oplossingen en duidelijkheid. Uit alle elementen in dit voorstel blijkt dat het Bestuursakkoord al jaren achterhaald is als het gaat om de bereikbaarheid en leefbaarheid van deze regio. Onze oproep aan de coalitie is dan ook: toon lef door te erkennen dat de houdbaarheidsdatum is bereikt en heb visie op de bereikbaarheid van deze regio. De Brabanders verdienen een robuuste oplossing en duidelijkheid.

Tot zover.

1 Alleen het gesproken woord telt.

Spreektekst Huseyin Bahar PIP N279 Veghel-Asten (7 december 2018)

CDA: elke Brabantse bus een elektrische rolstoelplaat

Het CDA in Provinciale Staten, het Brabantse parlement, wil dat elke Brabantse bus, dus ook een buurtbus, is voorzien van een elektrische rolstoelplaat. Hiertoe dient de partij vandaag een voorstel in tijdens het debat over de nieuwe ‘OV visie’ van de provincie, waarin de toekomst van het Brabantse openbaar vervoer wordt vastgelegd.

In dit voorstel vraagt het CDA aan provinciebestuurder Van der Maat om snel met vervoerders en het Brabantse bedrijfsleven om de tafel te gaan en te kijken hoe elektrische rolstoelplaten in alle Brabantse bussen te realiseren. Aanleiding voor het CDA om met dit voorstel te komen zijn de ervaringen die de partij de afgelopen jaren opdeed tijdens verschillende ‘OV-Races’: door het CDA zelf georganiseerde tests van het openbaar vervoer in de vorm van een wedstrijd. Hieruit bleek o.a. dat m.n. buurtbussen lang niet altijd zijn uitgerust met een elektrische rolstoelplaat en reizigers met een rolstoel niet altijd kunnen meenemen.

Statenlid Ankie de Hoon (CDA): “Openbaar vervoer blijft mensenwerk. Zo lukt het de ene buschauffeur wel om even uit te stappen en reizigers met een rolstoel de bus in te helpen, terwijl de andere buschauffeur door tijdsdruk de rolstoeler helaas moet laten staan. Onwenselijk. Als CDA stellen we daarom voor álle Brabantse bussen standaard uit te rusten met een elektrische rolstoelplaat. Dan kunnen mensen met een rolstoel, die vaak afhankelijk zijn van het OV, deelnemen aan het reguliere openbaar vervoer én helpen we ook de buschauffeur die onder tijdsdruk staat.”

Tijdens het debat over de nieuwe OV visie komt het CDA, net als in het debat over de provinciebegroting vorige maand, tevens met een voorstel dat de provincie oproept te starten met experimenten gericht op het verbeteren van de bereikbaarheid van bedrijventerreinen met het openbaar vervoer. De Hoon: “Op veel plekken in Brabant liggen de banen voor het oprapen, maar zijn die banen niet of slecht bereikbaar per OV. Dit is een Brabant breed probleem, dat we als CDA overal tegenkomen: van Moerdijk tot Breda, van Waalwijk tot Oss, van Oirschot tot Werkendam. Wij vragen de gedeputeerde actie te ondernemen en samen met vervoerders en bedrijven tot slimme, creatieve oplossingen te komen. Misschien dat het tweemaal per dag uitbreiden van een route, tijdens de spits en op piekmomenten, al voldoende is of de inzet van een ‘bedrijvenbus’ met een gepensioneerde oud-werknemer als vrijwilliger achter het stuur.”

Schriftelijke vragen over Tuf Recycling

Schriftelijke vragen van Statenleden Jeffrey van Agtmaal en Ankie de Hoon over een Europese subsidie voor het bedrijf Tuf Recycling in Dongen.

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen over Tuf Recycling.

Geacht college,

Op 30 november jl. publiceerde dagblad BN De Stem een artikel getiteld Europese subsidie van 135.000 euro voor ‘grensoverschrijdend’ werkend Tuf1. Te lezen is dat kunstgrasmat-verwerker Tuf Recycling uit Dongen i.h.k.v. het Europese project CrossRoads2 een Europese subsidie van 135.000 euro heeft ontvangen met als doel ‘innovatie te bevorderen’. De provincie Noord-Brabant is een van de partners van het project CrossRoads2.

Het CDA vindt het toekennen van deze subsidie aan Tuf Recycling zorgwekkend. Uit een reportage van het televisieprogramma ZEMBLA blijkt nl. dat Tuf Recycling zich niet houdt aan wet- en milieuregels en niet beschikt over de juiste vergunningen2. Sinds de zomer van 2017 heeft de gemeente Dongen aan Tuf Recycling tot driemaal toe een dwangsom opgelegd. Voor zover de CDA-fractie bekend is tot op heden geen afdoende oplossing gevonden voor de milieusituatie ter plaatse en voor de openstaande schuld bij de gemeente Dongen.

Naar aanleiding hiervan hebben wij voor u de volgende vragen:

  1. Wat was de rol van de provincie Noord-Brabant bij de toekenning van deze Europese subsidie aan Tuf Recycling?
  2. Kunt u toelichten welke rol Stimulus Programmamanagement namens de provincie Noord-Brabant speelde bij het toekennen van deze subsidie?
  3. Heeft er overleg plaatsgevonden tussen de provincie en de gemeente Dongen over toekenning van deze subsidie en waarom wel/niet?
  4. Hoe is naar uw oordeel de toekenning van deze subsidie te verantwoorden gelet op de zorgwekkende situatie rondom Tuf Recycling zoals hierboven omschreven?
  5. Hoe is de toekenning van deze subsidie aan Tuf Recycling tot stand gekomen?

Met vriendelijke groet,

Namens de CDA-fractie,

Jeffrey van Agtmaal en Ankie de Hoon

1 Zie https://www.bndestem.nl/oosterhout/europese-subsidie-van-135-000-euro-voor-grensoverschrijdend-werkend-tuf~a812c1a6/.

2 Zie https://zembla.bnnvara.nl/nieuws/gemeente-treedt-op-tegen-illegale-opslag-kunstgrasmatten-bij-tuf-recycling.

 

Beantwoording technische vragen “PAS Leegveld, Deurne”

Beantwoording technische vragen van het CDA door het provinciebestuur van Noord-Brabant
over het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) “PAS Leegveld, Deurne” (28-11-2018)

Vraag 1
Wat zijn de verschillen tussen de plannen uit 2005 (het Landinrichtingsplan ‘Het Onverenigbare Verenigt’) en de huidige plannen?

Antwoord 1
Het Landinrichtingsplan is een plan met verschillende doelstellingen. Eén daarvan is de doelstelling voor natuur. Voor hoogveen is gesteld het realiseren van levend hoogveen en andere hoogveeneigen vegetatietypen in de bestaande natuurgebieden en in de nieuwe natuurgebieden. In het Landinrichtingsplan is daarbij aangegeven dat gezien de lange ontwikkelingsduur van met name levend hoogveen dit neerkomt op het realiseren van de vereiste abiotische condities.
De doelstelling voor het hoogveen in het Natura 2000-beheerplan is zorgen voor het instandhouden en uitbreiden van de habitattypen herstellende en actief hoogveen. Het Landinrichtingsplan en het Natura 2000-beheerplan verschillen dus niet wat betreft doelstellingen. Het Landinrichtingsplan uit 2005 bevat globale inrichtingsmaatregelen. In dit landinrichtingsplan zijn maatregelen opgenomen voor het hoogveenherstel dus nog niet in detail uitgewerkt. In het plan is aangegeven dat detaillering maatwerk is en dat dit locatie specifiek uitgewerkt wordt in deelplannen. Wat betreft de wateropgave t.b.v. het hoogveenherstel is door waterschap Aa en Maas in opdracht van de provincie deze wateropgave uitgewerkt in de GGOR-inrichtingsvisie Deurnsche Peel (2011) (GGOR = Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime). De maatregelen opgenomen in de GGOR-visie vormen ook de basis voor de hydrologische maatregelen in het Natura 2000-beheerplan. De maatregelen uit het GGOR-/Natura 2000-beheerplan (2018) zijn weer verder geconcretiseerd in het projectplan Waterwet (2018). De plannen volgen elkaar op en er is geen strijdigheid tussen de plannen.

Vraag 2
Waaruit blijkt de noodzaak om veel meer te gaan vernatten t.o.v. het Landschappelijk Inrichtingsplan (LIP) 2005 om de Natura 2000-doelstelling te halen? Zijn er alternatieven onderzocht?

Antwoord 2
Zoals hierboven al is aangegeven zijn het Landinrichtingsplan, de GGOR-visie, Natura 2000-beheerplan en projectplan Waterwet plannen die elkaar opvolgen. Voor het gebied Leegveld vormt de GGOR-visie de basis voor het maatregelenpakket. In het beheerplan is aangegeven dat hiervoor eerst nog een uitvoeringsplan moet worden opgesteld, waarin de maatregelen worden geoptimaliseerd. Dat plan is het projectplan Waterwet. De hoofddoelstellingen zoals genoemd in het Landinrichtingsplan staan hierin nog steeds centraal. Overigens is het niet zo dat een groter gebied onder water wordt gezet, maar in een aantal compartimenten wordt wel voor een ander streefpeil gekozen dan in de bestuurlijk vastgestelde GGOR-visie. Soms lager en soms hoger. Reden hiervoor is dat streefpeilen beter kunnen aansluiten bij de maaiveldhoogtes van een compartiment dan beschreven in de GGOR. Dat is een belangrijke verfijning om de doelen uit het beheerplan te kunnen halen.

Vraag 3
Is met betrekking tot de huidige plannen tot overeenstemming gekomen met de betrokkenen (zoals dat in 2005 ook is gebeurd)?

Antwoord 3
Zoals hierboven al aangegeven is in het LIP opgenomen dat de detailuitwerking uitgevoerd wordt in deelplannen. Met deze werkwijze hebben de partijen door ondertekening van het Landinrichtingsplan ingestemd. De opgestelde GGOR-visie heeft ter inzage gelegen en is vastgesteld door waterschap Aa en Maas. Bij de totstandkoming van de GGOR-visie is een gebiedsproces doorlopen. Met een werkgroep van de verschillende gebiedspartijen zijn zes overleggen gehouden, waarin de modellering, de maatregelen en de effecten zijn besproken. De betrokken partijen die zitting hadden in de werkgroep waren: waterschap Aa en Maas, provincie Noord-Brabant, Staatsbosbeheer, ZLTO en afdeling Deurne, gemeente Deurne, Werkgroep Behoud de Peel, DLG, ambtelijk vertegenwoordiger van de Bestuurscommissie Peelvenen.

Vraag 4
In het laatste hydrologische model zijn de meest recente weersomstandigheden (nat en droog) en klimaateffecten niet meegenomen. Waarom niet?

Antwoord 4
Het model geeft aan welke maatregelen nodig zijn om een stabiel waterpeil in het gebied mogelijk te maken. Het model is gemaakt op basis van langjarige gemiddelden en is doorgerekend tot 2016. Onderdeel van de uit te voeren maatregelen is de aanleg van regelbare kunstwerken (stuwen), zodat beheerders in de toekomst kunnen inspelen op veranderende situaties.
Ook is rekening gehouden met regenbuien die maar eens in de 25 jaar voorkomen. In de nieuwe natuur is het mogelijk om de hoeveelheid neerslag die tijdens deze buien valt in de natuur te kunnen opvangen, zodat het watersysteem benedenstrooms wordt ontlast. Het project betekent dus een sterke verbetering van het waterbergend vermogen van het gebied. Er wordt naar gestreefd het gebied zoveel mogelijk lekdicht te houden en de waterpeilen in de hoogveenkerngebieden zo stabiel mogelijk te houden. Het levende hoogveen dat zich moet gaat vormen zal ook langdurige droogteperiodes moeten kunnen overleven. Daar is de norm voor de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) GLG op gebaseerd. Regenval en droogte zijn niet te sturen en wateraanvoer van elders in een hoogveenkern is geen optie (is zelfs een bedreiging). Welke tijdsduur van droogte ontstaat is afhankelijk van regenbuien en tijdsduur van een droge periode. Extra (Maas)water aanvoeren en vasthouden (in het gebied buiten de natuur) en daarmee extra tegendruk creëren ter compensatie is een mogelijkheid die in 2018 door het waterschap is toegepast. Dit wordt nu niet als besluit voorgelegd, want dat is onderdeel van waterbeheer in (extreem) droge perioden. Resumerend, het berekenen van een droogvalduur heeft geen invloed op (extra) maatregelen. Hoogveengebieden hebben in een droge periode de hoogste prioriteit voor aanvoer van water in de omgeving (= categorie 1). Huidig beleid is de optimale waarborg voor het voorkomen van schade in het hoogveengebied als gevolg van droogte.

Vraag 5
Waarom vindt op korte termijn besluitvorming ten aanzien van de vaststelling van de plannen plaats, terwijl de hydrologische gevolgen binnen en buiten het plangebied niet volledig inzichtelijk zijn?

Antwoord 5
Met behulp van grondwatermodellen en schadeberekeningen is onderzocht waar en hoe groot de wateroverlast zal zijn als gevolg van het project Leegveld. De gebieden waar mogelijk wateroverlast/-schade zal ontstaan zijn bekend. In overleg met de betrokkenen worden maatregelen opgesteld om deze schade te mitigeren. Met het grondwatermodel en monitoringsnetwerk voor de nulsituatie en effecten bestaat er goed inzicht in de grondwaterstanden en onverwachte wijzigingen hiervan. In het voorkomende geval dat zich toch situaties voordoen die zorgen voor wateroverlast dan zijn maatregelen voorhanden om zo nodig in te kunnen grijpen. De maatregelen die op voorhand getroffen worden zijn het aanleggen van (peilgestuurde) drainage en het ophogen van percelen.
Het bestaande netwerk van peilbuizen in dit gebied is uitgebreid met circa 60 peilbuizen. Met behulp van deze peilbuizen wordt automatisch de grondwaterstand in het gebied gemeten. Met behulp van dit meetnetwerk zal in de periode na aanleg gemonitord worden wat de effecten zijn van de maatregelen. De gegevens van de peilbuizen zijn door eenieder in te zien op:  https://aaenmaas.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=8654c063515546d4a8adc800a560921b.
Voorafgaand aan de start van de uitvoering wordt een bebouwingsopname uitgevoerd bij woningen/gebouwen rondom het natuurgebied.

Vraag 6
Op dit moment is er grote overlast van muggen in het gebied, wat wordt daaraan gedaan? Dit mede gelet op de geplande ontwikkelingen (en nog meer kans op muggen).

Antwoord 6
Bij de planvorming van het project Leegveld wordt gebruik gemaakt van de aanwezige kennis en ervaring uit eerdere deelprojecten. Op basis van deze onderzoeken zijn de factoren die een rol spelen bij de ontwikkeling en verspreiding van de overlast gevende moerassteekmuggen en knutten bekend. Het is bekend waar broedplaatsen kunnen ontstaan en hoe muggen zich kunnen verspreiden. Wageningen Environmental Research adviseert provincie en waterschap bij dit project om te komen tot een inrichting die voorkomt dat de huidige overlast van muggen groter wordt. Een heel belangrijke maatregel is het voorkomen van langdurig tijdelijk water. Dit is water dat niet in verbinding staat met permanent water en dus geen natuurlijke vijanden bevat. Monitoring na aanleg is ook een belangrijk middel om overlast te kunnen vaststellen. Vooruitlopend op het project wordt in 2018, 2019 en 2020 op diverse locaties in het gebied gemonitord naar muggen en knutten. In de jaren na afronding van de maatregelen zal ook gemonitord worden om te bewaken hoe die muggen en knutten zich gaan ontwikkelen. Ook in de fase na de uitvoering zijn maatregelen mogelijk om overlast te voorkomen.

Vraag 7
Bij recreatieve en agrarische ondernemers kan er directe economische schade ontstaan door deze muggenoverlast. Waarom is er geen schadeloket voor schade door muggenoverlast, zoals er wel een loket voor natschade is?

Antwoord 7
Het loket voor natschade vloeit voort uit een wettelijke plicht (zie vraag 8), dat is niet het geval bij muggenoverlast. Het PIP en het projectplan zijn (uiteraard) niet gericht op muggenoverlast, het voorkomen of beperken van muggenoverlast is bovendien geen belang dat onder de doelstellingen van de Waterwet valt. In het kader van het woon- en leefklimaat is er bij het maken van de plannen veel aandacht geweest voor de overlast van muggen. De plannen en besluiten bevatten voorzorgsmaatregelen om verdere overlast van muggen en knutten tegen te gaan (zie hiervoor). Met deze maatregelen verwachten wij dat er geen verdere toename van overlast zal plaatsvinden door de voorliggende plannen.

Vraag 8
Zijn de mogelijkheden voor een schadefonds onderzocht, waarin vóóraf schadeloosstelling plaatsvindt om zo jarenlange juridische procedures te voorkomen?

Antwoord 8
Dit is niet onderzocht, omdat de Waterwet een regeling biedt voor afhandeling van natschade. In het projectplan wordt met betrekking tot natschade verwezen naar de geldende verordening schadevergoeding van het waterschap. Indien er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat het verzoek om schadevergoeding zal worden toegekend, kan een voorschot verleend worden.
Naast het projectplan heeft GS een grondstrategieplan vastgesteld voor situaties waarin de maatregelen een zodanige inbreuk maken op de belangen van derden dat ze redelijkerwijs nopen tot onteigening. De aan de belanghebbende toe te kennen schadevergoeding wordt in dergelijke gevallen vastgesteld overeenkomstig de uitgangspunten van de Onteigeningswet.

Vraag 9
Enkele ondernemers in het gebied worden uitgekocht. Waarom worden niet gehele bedrijven opgekocht, maar blijven ondernemers achter met ‘stukjes’ zoals hun woonhuis of stukje van een bedrijf, waarmee ze niet of nauwelijks inkomen kunnen hebben?

Antwoord 9
De Onteigeningswet voorziet in deze situatie in artikel 38. Kort gezegd komt het hierop neer dat:
• Gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt, moeten op vordering van de eigenaar door de Provincie geheel worden overgenomen.
• Ditzelfde zal met erven moeten geschieden, wanneer er door de onteigening 25% of minder van overblijft of het restant kleiner dan 10.000m2 wordt.
De aanbiedingen die we doen worden gebaseerd op het wettelijke systeem. Dit betreft een soort vangnet. Echter, in het minnelijke overleg wordt ook onderzocht of wellicht overname van het hele bedrijf mogelijk is indien hierom wordt verzocht en strikt genomen niet wordt voldaan aan de criteria van artikel 38 Onteigeningswet. Wat we immers juist willen voorkomen is dat door de onteigening ondernemers onvoldoende inkomen meer kunnen behalen op het overblijvende gedeelte van hun bedrijf.

Wellicht ten overvloede nog het volgende:
– De eigenaar wordt door de onteigeningsvergoeding in de gelegenheid gebracht om elders grond te kopen. Of hij hiervan gebruik maakt is aan de eigenaar.
– In de onteigeningsvergoeding is het uitgangspunt dat alle schade wordt gecompenseerd (volledige schadeloosstelling) en wordt dus ook rekening gehouden met inkomensschade/investeringsschade en bijkomende schade.

Vraag 10
Het LIP en de gebiedsvisie Leegveld stellen dat er t.a.v. de ondernemers in de attentiezone voldoende economische perspectieven moeten worden geboden. Hoe is dat geborgd in het plan?

Antwoord 10
In het Landinrichtingsplan zijn diverse doelstellingen opgenomen voor het gebied. De uitwerking van deze verschillende doelstellingen vindt plaats door middel van deelprojecten. De uitwerking van de doelstelling voor de landbouw maakt geen onderdeel uit van het projectplan Waterwet.
In de gebiedsvisie Leegveld is aangegeven dat het waterschap Aa en Maas de regie voert op de uitwerking en uitvoering van de hydrologische en ecologische maatregelen. Voor de overige maatregelen in het gebied zijn andere partijen als trekker verantwoordelijk. Voor het thema landbouw is aangegeven dat dit de agrariërs zijn.

Vraag 11
Is er een 0-meting geweest in het gebied met betrekking tot wateroverlast aan woningen, gewassen etc. voorafgaand aan het nemen van de eerste maatregelen?

Antwoord 11
Zie antwoord 5.

Vraag 12
Wij begrijpen dat het plan uit 2005 voldoet aan de verplichtingen van Natura 2000, klopt dat?

Antwoord 12
Nee, dat klopt niet. Zoals bij antwoord 01 al is aangegeven zijn het Landinrichtingsplan, de GGOR-visie en projectplan Waterwet plannen die elkaar opvolgen. Voor het gebied Leegveld is de GGOR-visie de basis voor het maatregelenpakket. In deze GGOR-visie is aangegeven dat hiervoor eerst nog een uitvoeringsplan moet worden opgesteld waarin de maatregelen verder worden geoptimaliseerd. Dat plan is het projectplan Waterwet.

Vraag 13
Wat zijn de deadline en het tijdspad voor dit PIP? Hangt dit samen met Europese financiering of subsidies?

Antwoord 13
Het tijdspad hangt samen met het PAS. Uitvoering van de maatregelen is een wettelijke verplichting, die in de eerste beheerplanperiode van het PAS gerealiseerd moeten zijn. Deze periode eindigt op 1 juli 2021. Dit hangt niet samen met Europese financiering of subsidies.

Vraag 14
Is in de planvorming agrarisch natuurbeheer mogelijk?

Antwoord 14
Veruit de meeste gronden waarop de PAS-herstelmaatregelen worden getroffen liggen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied, 3e herziening” van de gemeente Deurne. Op grond van deze bestemming is agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer mogelijk. De gemeente bepaalt in deze gevallen of een (agrarische) activiteit aan de bestemming voldoet. Het PIP omvat slechts een gedeelte van het gebied waarop de maatregelen worden getroffen. De gronden die opgenomen zijn in het PIP zijn bestemd als ‘Natuur’, waarbij de mogelijkheid van agrarisch natuurbeheer niet is opgenomen. Gelet op de vernatting zijn er op dit moment geen vormen van agrarisch gebruik denkbaar die aansluiten/passen bij de natuurdoelstelling. Bovendien vormt deze bestemming de onteigeningstitel, dat (ook) het gevolg is van het gegeven dat op deze percelen zelfrealisatie, vaak gebaseerd op agrarisch gebruik van de gronden, niet aan de orde is en er ook geen belangstelling voor is.

Vraag 15
Op welke wijze wordt bepaald wie het agrarisch natuurbeheer mag/kan uitvoeren?

Antwoord 15
Zie vraag 14.

Vraag 16
Kunnen de ondernemers in de attentiezone met voorrang gebruik maken van deze mogelijkheden?

Antwoord 16
Zie vraag 14.

Vraag 17
Als de ondernemers in de attentiezone zouden willen voldoen aan het criterium ‘grondgebondenheid’, kan dat dan in de nieuwe situatie?

Antwoord 17
Zie vraag 14.

Vraag 18
Op welke wijze(n) en momenten, gedurende het traject tot dusver, is er contact geweest met de gemeente Deurne, betrokken dorpsraden, en organisaties van bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden in het gebied?

Antwoord 18
Bij de voorbereiding van het projectplan Waterwet zijn er drie algemene informatiebijeenkomsten gehouden in het gebied op 11 mei 2017, 14 december 2017 en 11 juni 2018. Tijdens deze bijeenkomsten is het doel van het project toegelicht, is verteld wat de maatregelen zijn die worden uitgevoerd en zijn de aanwezigen in de gelegenheid gesteld om de vragen te stellen aan de bij het project betrokken deskundigen. Daarnaast is er periodiek ambtelijk overleg met de gemeente Deurne (gemiddeld 4 keer per jaar) en nemen ambtenaren van de gemeente Deurne deel aan de werkgroep Leegveld en het projectteam dat het PPWW heeft opgesteld en die de uitvoeringsplannen opstelt.

Bestuurlijk is de raadscommissie Ruimte & Economie tijdens drie vergaderingen geïnformeerd over de plannen Leegveld.

Een belangrijke rol is weggelegd voor de omgevingsmanager van het waterschap. De omgevingsmanager is eerste aanspreekpunt voor het gebied en gaat daar waar nodig, vaak ondersteund door deskundigen, bij de mensen langs om het project en de gevolgen daarvan toe te lichten. Hiervan is al regelmatig gebruik gemaakt.
Door de omgevingsmanager is bij verschillende dorpsraden een presentatie gegeven over het project. Alle belanghebbenden uit het gebied zijn vertegenwoordigd in de werkgroep Leegveld. Deze werkgroep is inmiddels 15 keer bijeen geweest. Tijdens bijeenkomsten van deze werkgroep worden de leden geïnformeerd over de voortgang van het project en wordt hen gevraagd de diverse producten en plannen te toetsen. Leden van de werkgroep worden ook betrokken bij het opstellen van diverse deelproducten. De werkgroep adviseert de integrale gebiedscommissie Peelvenen (IGC)

Er is een website (www.aaenmaas.nl/leegveld) waarop informatie staat over het project, de voortgang, procedures, etc. Ook kan men hierop de diverse documenten m.b.t. het project vinden. Er wordt periodiek een nieuwsbrief uitgebracht en verstuurd naar de geïnteresseerden. Deze nieuwsbrieven zijn ook terug te vinden op bovenstaande website

Vraag 19
Hoe zijn c.q. worden de communicatie en informatievoorziening richting al deze betrokken partijen verder georganiseerd?

Antwoord 19
De communicatie zal in grote lijnen gelijk zijn zoals beschreven in antwoord 18. Vooruitlopend op de uitvoering worden één of meerdere informatiebijeenkomsten georganiseerd. De werkgroep Leegveld zal in de vorm van een werkbegeleidingscommissie betrokken blijven bij de uitvoering.

Beantwoording technische vragen over PIP PAS Leegveld – Deurne (28 november 2018)

Spreektekst Huseyin Bahar – Debat over provinciebegroting 2019 op 09/11

Spreektekst1 Huseyin Bahar– Statenlid CDA Brabant
Begroting 2019 Provincie Noord-Brabant
(09-11-2018)

Voorzitter,

Het wisselvalige en onheilspellende weerbericht zet zich voort met de financiën. Hier staat het sein op Code Oranje. Dan is niet alleen alertheid geboden om risico’s te beperken, maar moeten we ook maatregelen treffen. De middellange termijn is namelijk allesbehalve rooskleurig.

Voorzitter, ik zal de PvdA-fractie dit jaar maar voor zijn en benoemen dat een degelijk financieel beleid kennelijk ook toevertrouwd kan zijn aan een socialist. Sluitende begrotingen zonder tekort en verbeterslagen in de P&C-cyclus in déze bestuursperiode zijn een erkenning voor de gedeputeerde. En die delen wij ook. Maar zoals het een ware socialist betaamt: alles op korte termijn is rozengeur en maneschijn, maar met beperkt zicht op de middellange en lange termijn. Het blijft toch iedere keer alleen maar de eindjes aan elkaar knopen als socialist…

Voorzitter, graag begin ik als eerste punt bij de rente- en dividendinkomsten van onze provincie. Al vanaf dag één van deze bestuursperiode heeft onze fractie gewaarschuwd voor de stevige windstoten op dit vlak. Keer op keer hebben we de degens gekruist bij de diverse P&C-momenten, maar onze inbreng en adviezen zijn helaas continue in de wind geslagen.

Voorzitter, we kunnen alleen degelijk zijn, indien we ook realistisch zijn. Aan de uitgavenkant hebben we al gezien dat realistisch ramen een onderwerp is dat we nog niet helemaal beheersen. Dit geldt helaas ook voor onze inkomstenkant. Dan heb ik het met name over het jaarlijks rendement van 122 miljoen euro, waarmee we blijven rekenen. En dit terwijl we weten dat:

  1. de 100 miljoen euro Essent-lening tegen hoge rente wordt ingelost;
  2. het uitgekeerde dividend vanuit Essent onder druk staat;
  3. de leningen aan gemeenten buiten Brabant alleen maar een appel en een ei opleveren.

Voorzitter, dat is dus al 3 x Code Rood. We kunnen er dus zeker van zijn dat er problemen gaan ontstaan en het de hoogste tijd wordt om activiteiten en agenda aan te passen.

Is de gedeputeerde, aan het einde van deze bestuursperiode, nu eindelijk zo ver om te erkennen dat de 122 miljoen euro geen realistische raming meer is voor de middellange termijn?

Voorzitter, mijn tweede punt over de rente- en dividendinkomsten zijn de leningen die we aan decentrale overheden buiten Brabant verstrekken. Dit zijn namelijk langjarige leningen, gemiddeld 12 jaar, tegen een vast rendement van 1,4%. Er worden dus nu al keuzes voor drie komende bestuursperioden gemaakt, dus 3 x vier jaar, en financieel gezien is Brabant aan handen en voeten gebonden. Dit is toch een voorbeeld van degelijkheid dat niet uitblinkt in verstandigheid, omdat het ten koste gaat van flexibiliteit.

Voorzitter, ik zal mijn punt illustreren met een voorbeeld dichter bij huis. Stel, u heeft 10.000 euro als huishouden opzij gelegd door hard en verstandig te werken. Zou u dit geld dan volledig voor 12 jaar op een spaarrekening willen vastzetten, waarbij u maar 12 euro per maand rente ontvangt, óf zou u toch flexibel willen blijven om in de komende jaren misschien zonnepanelen te plaatsen voor lagere energielasten of bijvoorbeeld de auto te vervangen teneinde hogere onderhoudskosten te voorkomen? Enz.

Ik kijk even de zaal in: collega-Statenleden, onze bezoekers, GS, Griffie? Nee? Dat dacht ik al, ik zie nog niemand enthousiast reageren om 12 euro per maand rente te ontvangen als dit ten koste gaat van de flexibiliteit. Dat is dan wel vreemd, als we dit niet met ons eigen huishoudboekje willen, maar prima vinden wanneer het om het huishoudboekje van de provincie gaat.

Voorzitter, met ruim 1,5 miljard euro, dat is dus al ruim 50% van onze immunisatieportefeuille in langjarige, niet verhandelbare uitzettingen, tegen zeer lage vaste rente wordt het tijd om na te denken of Brabant inderdaad beter af is met 14 miljoen euro per jaar of flexibiliteit moet houden voor investeringen met maatschappelijk rendement?

Vraag aan de gedeputeerde is dan ook: wanneer is de grens bereikt om te stoppen met deze langjarige uitzettingen aan gemeenten buiten Brabant? Wanneer is deze grens volgens u wel bereikt? Het alternatief schatkistbankieren biedt misschien tijdelijk lage rente, maar biedt wel degelijk flexibiliteit als alternatief en afwachting van kansen in maatschappelijk rendement!  

Voorzitter, mijn derde en laatste punt is de uitdaging op het vlak van indexeren. Voor deze bestuursperiode is gekozen om niet te indexeren. Gezien de lage inflatiecijfers in de eerste twee jaren van deze bestuursperiode begrijpelijk en haalbaar. Echter, in de laatste twee jaren zien we de inflatiecijfers weer richting de 1,5% gaan. Hiervoor hebben we deze bestuursperiode een stelpost van 4 miljoen euro per jaar beschikbaar. Op onze eerdere vragen hierover is gesteld dat 4 miljoen euro per jaar echt voldoende was. Kijken we naar de prognoses voor de komende bestuursperiode, dan hebben we grofweg 21 miljoen euro per jaar nodig als we willen indexeren.

Kan de gedeputeerde aangeven hoe het kan dat bij ca. 1,5% aan inflatie en gelijkblijvende uitgaven nu 4 miljoen euro per jaar wel voldoende is, maar voor de komende periode we moeten uitgaan van gem. 21 miljoen euro per jaar?

Voorzitter, ik kom tot een afronding. Degelijkheid komt alleen maar tot haar recht als we ook realistisch, verstandig en flexibel blijven. Voor deze bestuursperiode hebben we helaas nog een strenge winter voor de boeg, maar straks is het weer voorjaar en waait er vanaf 21 maart naar verwachting een frisse groene wind!

1 Alleen het gesproken woord telt.

Spreektekst Huseyin Bahar provinciebegroting 2019 (9 november 2018)

Spreektekst Marianne van der Sloot – Debat over provinciebegroting 2019 op 09/11

Spreektekst1 Marianne van der Sloot– Fractievoorzitter CDA Brabant
Begroting 2019 Provincie Noord-Brabant
(09-11-2018)

Voorzitter,

Het weerbericht van ons mooie Brabant is redelijk stabiel. Bewolkt met hier en daar zonneschijn. En met een politieke klimaatverandering op komst, die vanaf maart lijkt in te zetten. Daar gaan wij van uit ;-).

En in dat licht zijn de recente temperatuurschommelingen in de coalitie op zijn minst ‘boeiend’.

  • Want de SP veroorzaakt een koudefront in dit college door haar standpunt over de herindeling van Nuenen. Met steun overigens deze week van de Eindhovense SP-fractie.
  • D66 lijkt alle donkere wolken structureel te ontkennen.
  • De PvdA is lekker klimaatneutraal.
  • En, ach voorzitter, de VVD, die maken zich niet druk om een koudefrontje meer of minder. De VVD zegt nog steeds dat de zon schijnt, ook als het regent.

We gaan het meemaken.

Voorzitter, volgend jaar zijn de verkiezingen. En steeds weer is het vertrouwen in ons, in de ‘politiek’ laag. Te laag, zo’n 40%. Om met het KNMI te spreken: een Code Oranje. Met kans op problemen en extreme situaties.

Maar laten we eerlijk zijn. Een aantal processen van de afgelopen tijd, in dit Huis, scoorden niet eens Code Oranje maar rechtstreeks Code Rood, door de wijze waarop met de Brabanders is omgegaan. En met Code Rood kun je er volgens het KNMI zeker van zijn dat er problemen gaan ontstaan.

En dat klopt:

  • bij de transitie van de landbouw;
  • bij de herindeling van Nuenen;
  • en bij de mestfabriek in Oss

staan we met de ruggen tegenover elkaar én voelen mensen zich niet gehoord.

De Provincie wordt gezien als ‘onbehouwen’ en onvoorspelbaar, en dat snap ik wel. Het lukt het college keer op keer om van bovenaf in te grijpen. Terwijl – en het CDA blijft het herhalen – het gras echt niet harder gaat groeien door aan de sprieten te trekken. Maar door de wortels te voeden.

Voorzitter, gelukkig zien we in Brabant ook momenten waarop de zon doorbreekt.

  • In het groot: met de snellere aanpak van Hooipolder.
  • En in het klein: geen flitspaal voor hardrijders, maar eentje die goed bedrag beloont. Met een spaarsysteem voor de lokale gemeenschap. Een groot succes in Helmond, Eerde en Lith. Dichtbij en duidelijk.

Voorzitter,

Wij zijn van mening dat het na Code Rood tijd is voor Code Groen. Nietwaar GroenLinks? Ik zal u een stukje meenemen in onze Code Groen.

Voorzitter, vandaag spreken wij als CDA over 3 onderwerpen, die dichtbij en duidelijk zijn:

  1. Sociale Veerkracht.
  2. De Nieuwe Economie.
  3. De toekomst (van energie en landbouw).

Mijn collega Huseyin Bahar zal straks ingaan op de degelijkheid van het huishoudboekje van de Provincie.

01. Sociale Veerkracht

Op Sociale Veerkracht, de leefbaarheid van Brabant, blijven we terugkomen, voorzitter. Niet omdat we de heer Swinkels zo graag in de weg zitten. Maar omdat de gevoelstemperatuur zo laag is, én wij dit onderwerp zó ongelooflijk belangrijk vinden.

Wij zien dat we in 2019 5,6 miljoen euro inzetten om vooral óver mensen te spreken. Er wordt vergeten mét mensen te spreken én dingen samen te doen. En ik kan mij de discussies nog goed herinneren: de ‘bolwerken’, zoals de seniorenbonden, móesten en zouden onder dit college verdwijnen. Maar er kwam niets voor terug. En dat terwijl er zoveel maatschappelijk opgaven in Brabant zijn. Zoals de vergrijzing. Met grote impact. Daarom komen we met een motie Senioren.

Bij leefbaarheid hoort voor ons ook verantwoordelijkheid, nu én in de toekomst. De ondersteuning van Q-koortsslachtoffers is sinds dit jaar bij de gemeente belegd. Uit gesprekken met Q-koortspatiënten en Q-support begrijpen wij dat die overdracht, soms wel, maar soms ook echt niet soepel gaat. Ook zien we dat alle kennis over Q-koorts en de aanpak nú nog in huis is, bij de betrokkenen. Die willen we borgen, ook voor de toekomst. Hier dienen we een motie voor in.

Ondermijning voorzitter, blijft een bedreiging voor onze Brabantse samenleving. Wij zien 3 zaken die we willen aanpakken: dichtbij 1) met de versterking van de lokale journalistiek, 2) met een experiment met ‘onorthodoxe’ maatregelen tegen dumpers van drugs- en ander afval, en 3) met een gereedschapskist voor gemeenten gevuld met mogelijkheden en instrumenten om vakantieparken zonder toekomstperspectief aan te pakken. Hiertoe dienen we twee amendementen en een motie in.

02. Economie

Dan Economie voorzitter, de wind waait uit een andere hoek. De wereld van 4 jaar geleden is niet meer. We gaan van werkloosheid toen naar een schreeuwend tekort aan personeel nu. En van hoge rentes naar leningen die je bijna gratis krijgt. Die veranderende wereld, dat betekent ook iets voor ons. De rol van Provinciale Suikeroom past niet meer.

Pleiten wij voor een einde aan de economische programma’s? Nee. Het CDA ziet een hele goede rol voor de Provincie als partner in de economie. Want we hebben veel grote uitdagingen. Zoals het gat op de arbeidsmarkt. De mismatch. En de tekorten aan vakmensen. Hét grote item van dit moment, zoals het college het zelf ook noemt. Dat vraagt om actie. Als wij lezen dat, ondanks alle acties, ‘het resterende budget beperkt is’, dan vrezen wij dat we kansen missen. En dat de zorg, de horeca, de logistiek en de techniek straks écht met lege handen zitten. Met alle consequenties van dien. Graag horen wij meer van de gedeputeerde.

Voorzitter, belangrijk voor de economie van Brabant is het bereikbaar maken van bedrijventerreinen met het openbaar vervoer. Bijvoorbeeld: Bedrijvenpark Moerdijk, Bedrijvenpark Aviolanda, Breda Airport en onze legerbasis in Oirschot. Hiervoor komen wij met een motie.

En dan de arbeidsmigranten. Zo’n 100.000 mensen die allemaal een goed dak boven hun hoofd verdienen. En veiligheid. Want zolang we onze logistieke ambities hebben en houden, zijn we afhankelijk van mensen van ver en verder. We zijn blij dat we als Brabant aan de slag gaan met de huisvesting. Met een grote rol voor de gemeenten en de provincie. De vraag aan de gedeputeerde is hoe verstrekkend hij zijn rol ziet. Wat als er nu geen goede afspraken liggen over de huisvesting van arbeidsmigranten met een gemeente? Wat doet u dan?

03. De toekomst

Voorzitter, dan de toekomst. De Provincie is bij uitstek (mede)verantwoordelijk voor de toekomst van Brabant. Want we hebben de wind in de rug en daar moeten we gebruik van maken. Specifiek ga ik in op stadslogistiek, cultuur en de toekomst van de landbouw.

a. Stadslogistiek

Voorzitter, de bezorging van pakketjes en boodschappen én de bevoorrading van winkels groeit gigantisch. Net als de regels en goede bedoelingen. Maar er is weinig vooruitgang.

  • We spraken met Brabantse ondernemers die gek worden van alle losse regels van gemeenten over bevoorrading. Net na de zomer is gelukkig door de minister één lijn getrokken. Er zijn straks nog maar 2 soorten milieuzones. Het CDA wil er zeker van zijn dat Brabant in al haar steden kiest voor dezelfde soort milieuzone. En wel de groenste die er is. Daarom vragen wij de gedeputeerde daar regie op te nemen.
  • En dan de bestelbusjes: van DHL, PostNL, UPS, GLS, de Jumbo, Albert Heijn die de hele dag door de straten rijden. Al eerder stelden we hier vragen over. Pas is onderzocht dat 80% van de rondjes die gereden worden voor 1 pakketje is. Samenwerken en het bundelen van vracht lijken simpele oplossingen. Maar die vragen lef en veel data-onderzoek. En laten we daar in Brabant nu allebei heel goed in zijn. Wij dienen een motie in voor een Brabantse Green Deal Stadslogistiek. Met een hoge ambitie: in 2025 emissieloos bevoorraden in de B5 steden.

b. Cultuur

Voorzitter, de keuze voor de toekomst van de Philharmonie vonden wij geen goede beslissing. Wij dienen daar een amendement voor in. GroenLinks komt straks met een bijdrage over steun aan ons Noordbrabants Museum. Terecht.

c. Toekomst van de landbouw

Dan de toekomst van de landbouw, die kent veel vraagtekens. Zeker na woensdag. Het is belangrijk dat we als Brabant gaan investeren in innovaties. Zoals 8 nieuwe stalsystemen. Maar we vragen ons af of deze ontwikkelingen én vóóral de erkenning ervan, wel op tijd komen voor de deadline van 2022. Vraag aan de gedeputeerde: wat doet u als blijkt dat de stalsystemen er niet op tijd zijn?

Ook in de stad of in het dorp zijn mooi groene initiatieven als pluktuinen en stadslandbouw. De huidige groensubsidies voor biodiversiteit zijn er alleen niet voor ingericht. Wij willen de gedeputeerde vragen om bij deze subsidies geen verschil te maken tussen stad en platteland.

Verder dienen we een amendement in voor afschaffing van de leges bij faunaschade. Vooral omdat wij, net als veel organisaties van Das&Boom tot de ZLTO, het belangrijk vinden dát er geen drempels zijn voor melden.

Tot slot willen we stilstaan bij 2019 als een bijzonder jaar. 75 jaar bevrijding. Een indrukwekkend moment, een indrukwekkende herdenking en een indrukwekkend programma dat er ligt om 2019 bijzonder te maken. Voor iedereen, groot en klein, dat vinden we belangrijk.

Tot zover, voorzitter, Code Groen. En nu over naar het Degelijke Huishoudboekje van collega Bahar. Want voor niets gaat de zon op.

1 Alleen het gesproken woord telt.

Spreektekst Marianne van der Sloot provinciebegroting 2019 (9 november 2018)

CDA: het is tijd voor Code Groen

Het is tijd voor Code Groen, aldus het CDA in reactie op de begroting 2019 van de provincie Noord-Brabant. Nu het vertrouwen in de politiek laag is, Code Oranje, en sommige ontwikkelingen in onze provincie aanleiding geven tot Code Rood, zou in Brabant een andere wind kunnen gaan waaien.

Voor de hoek waaruit die wind moet komen, doet het CDA vandaag een voorzet tijdens het debat over de provinciebegroting in Provinciale Staten, het Brabantse parlement. De partij komt met een aantal voorstellen die de begroting op een aantal belangrijke onderdelen aanvult of aanpast.

Meest in het oog springend is het voorstel van het CDA om de stadslogistiek, de bevoorrading van de vijf grootste Brabantse steden, in 2025 emissieloos te laten plaatsvinden. De partij constateert dat de explosieve groei van de pakketbezorging leidt tot meer pakketverkeer in stads- en dorpscentra. Dit leidt tot ongewenste neveneffecten als uitstoot van fijnstof, parkeerproblemen, geluidsoverlast en gevaarlijke verkeerssituaties. Het CDA wil hier paal en perk aan stellen door het sluiten van een Brabantse ‘Green Deal’ tussen de B5-gemeenten, bedrijven, vervoerders, onderwijsinstellingen en consumenten.

Het CDA wil ook dat de provincie twee ton vrij maakt voor een experiment met cameratoezicht, kentekenregistratie en andere robuuste maatregelen tegen (drugs)afvaldumpers in de Biesbosch. Daarnaast pleit het CDA voor een juridische ‘gereedschapskist’ voor gemeentes die verloederde vakantieparken willen aanpakken.

Verder komt het CDA tijdens het begrotingsdebat met een voorstel dat de provincie opdraagt erop toe te zien dat de zorg voor Q-koorts slachtoffers door gemeenten en via belangenvereniging Q-support blijft geborgd. “Hier heeft de overheid een grote verantwoordelijkheid”, vindt fractievoorzitter Marianne van der Sloot.

Het CDA vraagt in het begrotingsdebat ook aandacht voor de slechte bereikbaarheid van bedrijventerreinen met het openbaar vervoer. Op veel Brabantse bedrijventerreinen liggen de banen voor het oprapen, maar zijn deze letterlijk onbereikbaar voor wie niet over een rijbewijs of auto beschikt. Het CDA dringt er bij het provinciebestuur op aan binnen de huidige OV-concessies te gaan kijken hoe dit probleem op korte termijn kan worden opgelost.

Andere voorstellen van het CDA gaan o.a. over versterking van lokale journalistiek, het afschaffen van de leges voor het melden van faunaschade en meer aandacht voor vergrijzing en de doelgroep senioren.

Provinciale Staten debatteren vandaag de gehele dag over de provinciebegroting. Aan het einde van de dag wordt er over de begroting en de door politieke partijen ingediende voorstellen, moties en amendementen, gestemd.

Marianne van der Sloot: “Aan de hand van deze begroting constateren we als CDA dat in Brabant in 2019 e.v. hier en daar de zon doorbreekt, bijvoorbeeld boven Hooipolder, maar dat zonder ingrijpen de kans op Code Oranje en Code Rood reëel blijft. Dat moeten we zien te voorkomen, dus daarom komt het CDA vandaag onder de naam Code Groen met een reeks voorstellen die de weersverwachting voor komend jaar aanzienlijk moet verbeteren: meer zon, minder bewolking, een hogere gevoelstemperatuur en een kleinere kans op neerslag. Tijd voor Code Groen.”

Schriftelijke vragen over PAS-uitspraak Europees Hof van Justitie

Schriftelijke vragen van Statenleden Marianne van der Sloot (CDA) en Hermen Vreugdenhil (ChristenUnie-SGP) over de vernietigende uitspraak van het Europees van Hof van Justitie over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de gevolgen voor de provincie Noord-Brabant.

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen over de PAS-uitspraak van het Europees Hof van Justitie.

Geacht college,

Het Europees Hof van Justitie heeft vandaag uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Kort samengevat gaat de PAS onderuit, omdat er geen maatregelen mogen worden genomen als de verwachte voordelen van die maatregelen niet vaststaan ten tijde van de beoordeling.

Deze uitspraak heeft grote gevolgen voor de landbouw, industrie en infrastructuur. De precieze impact kunnen wij op dit moment niet inschatten. Uit uitlatingen van het ministerie begrijpen wij dat de vergunningverlening naar alle waarschijnlijkheid per direct moet worden stopgezet.

Naar aanleiding hiervan hebben wij voor u de volgende vragen:

01. Wilt u ons op zo kort mogelijke termijn informeren over de impact van de uitspraak van het Europees Hof van Justitie voor de Brabantse landbouw, industrie en infrastructuur?

En omdat u ongetwijfeld al heeft nagedacht over de consequenties van deze uitspraak:
 
02. Wat is uw Plan B? En hoe ziet u de voortgang van de diverse lopende trajecten?

Wij zien de antwoorden op deze vragen graag zo spoedig mogelijk tegemoet, d.w.z. vóór de behandeling van de provinciebegroting a.s. vrijdag 9 november.

Bij voorbaat hartelijk bedankt.

Met vriendelijke groet,

Namens de fracties van het CDA en de ChristenUnie-SGP,

Marianne van der Sloot (CDA) en Hermen Vreugdenhil (ChristenUnie-SGP)

Staatssecretaris Mona Keijzer op werkbezoek in Werkendam

Op uitnodiging van het CDA in Altena brengt staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat op vrijdag 19 oktober a.s. een werkbezoek aan Werkendam.

De staatssecretaris is te gast bij Werkina Werkendam, een scheepsinstallatiebedrijf dat momenteel het eerste volledig elektrisch varende schip ontwikkelt. Behalve met Werkina maakt Mona Keijzer daar ook kennis met Werkendam Maritime Industries, een groep van ca. 30 Werkendamse ondernemingen die internationaal actief zijn in de maritieme sector.

Hierna gaat de staatsecretaris in drie rondes aan tafel met ondernemers uit Altena. In de eerste ronde zijn dat vertegenwoordigers van Altenase familiebedrijven. Tijdens de tweede ronde staat het Altenase midden- en kleinbedrijf centraal. In de derde ronde ontmoet Mona Keijzer vrouwelijke ondernemers uit Altena.

CDA-lijsttrekker Roland van Vugt: “Wij zijn vereerd met de komst van Mona Keijzer naar onze mooie regio Altena. Als staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat is zij verantwoordelijk voor belangrijke onderwerpen als het MKB, het bedrijfslevenbeleid en innovatie. Dat maakt haar een goede gesprekspartner voor de ondernemers in Altena, met wie wij Mona Keijzer graag laten kennismaken met wat er onze streek leeft en gebeurt. Zo zorgen we er samen voor dat Altena ook in Den Haag op de agenda staat.”

Het werkbezoek start om 15.30u (inloop vanaf 15.15u) en duurt tot 18.00u. Locatie is Werkina Werkendam, gelegen aan de Biesboschhaven Noord 1B te Werkendam.

Vertegenwoordigers van de pers zijn van harte uitgenodigd om aanwezig te zijn bij het persmoment om 17.45u.

Schriftelijke vragen over Afrikaanse varkenspest bij wilde zwijnen

Schriftelijke vragen van Statenlid Caroline van Brakel over Afrikaanse varkenspest bij wilde zwijnen.

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen over Afrikaanse varkenspest bij wilde zwijnen.

Geacht college,

Terwijl in de Brabantse varkenssector de onrust groeit over de uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij wilde zwijnen in België, lijkt het Brabantse provinciebestuur rustig af te wachten.

Dat blijkt ook uit de woorden van gedeputeerde Van den Hout, die aangaf dat de besmetting in België onder controle lijkt. De volksgezondheid is niet in het geding en daarmee lijkt de noodzaak om echt in actie te komen afwezig.

Een uitbraak van Afrikaanse varkenspest is echter enorm ingrijpend voor alle familiebedrijven en hun dieren. Het ontlopen van haar verantwoordelijkheid kan de provincie Noord-Brabant miljoenen euro’s aan schade kosten.
 
De fractie van het CDA heeft daarom voor u de volgende vragen:

  1. Wat heeft de provincie actief gedaan om het afgesproken nulstand beleid wilde zwijnen in Brabant te handhaven?
  2. Hoeveel gesprekken (bestuurlijk en ambtelijk) zijn er vanaf mei 2015 tot op heden met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) geweest over de wilde zwijnen problematiek, op welke datums hebben deze plaatsgevonden en wat waren de uitkomsten van deze gesprekken?
  3. Hoeveel gesprekken hebben er vanaf mei 2015 tot op heden met betrokkenen in Brabant plaatsgehad over handhaving van het nulstand beleid en wat waren de uitkomsten van deze gesprekken?
  4. Klopt het dat het beheer van populaties wilde zwijnen op basis van de Wet natuurbescherming een verantwoordelijkheid is van de provincies?
  5. Kunt u aangeven welke omvang van de wilde zwijnenpopulatie in Brabant wenselijk is en in welke gebieden? Welke afwegingen heeft u hierbij betrokken?
  6. Welke verantwoordelijkheid heeft de provincie bij het voorkomen van ernstige schade bij varkenshouderijen?
  7. Als varkenshouders schade lijden, als hun varkens onverhoopt besmet worden door wilde zwijnen, wie betaalt deze schade dan?
  8. Kunt u aangeven of artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming erin voorziet dat provincies varkenshouders die schade lijden de schade betalen?
  9. Gaat de provincie in de risicoparagraaf van haar begroting een voorziening opnemen om eventuele schades te kunnen dekken, wanneer blijkt dat de nulstand niet adequaat is gehandhaafd?
  10. Welke schadeloosstellingen (gespecificeerd per kalenderjaar) zijn er vanaf mei 2015 tot op heden door de provincie uitgekeerd, daar waar bleek dat er schade was aangericht door wilde zwijnen?
  11. Zijn er schades gemeld, veroorzaakt door wilde zwijnen, die door de provincie niet zijn uitgekeerd? Met welke reden werd de gemelde schade niet uitbetaald en om welke bedragen (gespecificeerd per kalenderjaar) gaat het?

Wij zien de antwoorden op deze vragen graag tegemoet, waarvoor bij voorbaat zeer bedankt.

Met vriendelijke groet,

Namens de CDA-fractie,

Caroline van Brakel