Opinie Ankie de Hoon – ‘Bereikbaarheid Brainport: het hele verhaal’

Opinie van Statenlid Ankie de Hoon, woordvoerder verkeer & vervoer namens CDA Brabant.

‘Bestuurlijke durf voor bereikbaar Brainport’

De bereikbaarheid van Brabant is een van de grootste thema’s van de verkiezingen op 20 maart. Hoe houden we dorpskernen en binnensteden leef- en bereikbaar? Hoe zorgen we voor goede verbindingen naar onze familiebedrijven? Hoe verleiden we ondernemers van buiten onze provincie om zich in Brabant te vestigen, “omdat je hier zo gemakkelijk kunt komen”? En hoe zorgen we ervoor dat al die nieuwe woonwijken die we willen bouwen straks goed toegankelijk zijn voor starters, gezinnen en senioren? Het zijn deze grote vragen die de Brabanders bezighouden.

En bij grote vragen horen grote antwoorden. Met ‘klein bier’, hoe lekker ook, kom je er niet. Wie door Brabant rijdt, ervaart het zelf. ‘Even’ van Eindhoven naar Helmond, een ritje van 18 kilometer, kost je bij slecht weer al gauw anderhalf uur. De regio Eindhoven, ‘Brainport’, is de slimste regio en tegelijkertijd een van de grootste verkeersknelpunten van Nederland. Met dagelijks files, ongevallen en sluipverkeer. Wat kunnen we daartegen doen? In de Volkskrant van 4 maart jl. gaf de verantwoordelijke provinciebestuurder, gedeputeerde Van der Maat (VVD), zijn visie. Wij vullen die graag aan, om het verhaal eerlijk en compleet te maken.

Laten we bij het begin beginnen. Er was eens een bereikbaarheidsprobleem dat al tientallen jaren speelde. Met meer dan 7 miljoen euro aan onderzoeken. In 2014 lag er eindelijk een plan, was er geld (maar liefst 271 euro miljoen euro) én bestuurlijke durf om iets te gaan doen. Maar voor dat plan, de aanleg van een zgn. ‘Noordoostcorridor’, bleek in de regio geen draagvlak. En dus ging het van tafel.

Toch was daarmee de hoop op een alternatieve oplossing niet verdwenen. Een jaar later, in 2015, zouden er immers verkiezingen zijn voor een nieuw provinciebestuur. Nieuwe ronde, nieuwe mensen, nieuwe kansen. Met 1.777 stemmen verschil werd de VVD de grootste partij in Brabant. Het CDA moest genoegen nemen met zilver. Desondanks waren we niet somber. Het geld voor Eindhoven lag immers nog steeds te wachten op een goed, gedragen plan. En op bestuurlijke durf. Hoopten we althans. Helaas, het liep anders.

Want nog maar kort na de verkiezingen spatte onze droom voor een bereikbaar Brainport uiteen. Schakend op twee borden koos de VVD ervoor om een deal te sluiten met de SP en twee andere partijen: ‘links’ mocht vier jaar losgaan op milieu, de VVD op industrie. En de bereikbaarheid van Eindhoven? Daar zouden deze vier partijen het dan deze periode niet over hebben. De verkeersparagraaf in het Brabantse ‘regeerakkoord’ ging over fietspaden, rotondes en ‘smart mobility’. Echte oplossingen voor de bereikbaarheid van Eindhoven, of voor het ‘prehistorische’ knooppunt Hooipolder, stonden er niet in. En hoewel je fietsend tegenwoordig best een eind kan komen, laten duizenden kratjes bier uit Lieshout zich niet verplaatsen per fiets.

Had uitbreiding van het openbaar vervoer een optie kunnen zijn? Altijd een goed idee. Maar ook dat is niet genoeg. Zelfs als we het openbaar vervoer voor iedereen toegankelijk, betaalbaar en overzichtelijk maken, blijven de files. En die kunnen we alleen oplossen door nieuwe wegen aan te leggen of bestaande wegen te verbreden. Hoe dan ook: met meer asfalt.

Maar extra asfalt kost geld. Van de 271 miljoen euro die was gereserveerd voor bereikbaarheidsoplossing voor Eindhoven, verdampte in het eerste jaar ná het aantreden van het nieuwe college al 90 miljoen. Een derde van het totaalbedrag. En kort daarna ging ook de rest van het geld verloren aan ‘alternatieve’ projecten waarover we nooit meer iets hoorden. Omdat er voor Eindhoven maar geen plan, geen oplossingsrichting kwam. De in het Brabantse regeerakkoord beloofde ‘beweging in Brabant’ bleef uit. Pas nu, vlak voor de verkiezingen, meldt de gedeputeerde, inmiddels lijsttrekker, zich weer met interviews in verschillende media. Met aan betrokken gemeenten de boodschap dat hij alleen wil weten wat zij wél willen, niet wat ze niet willen. Niet echt daadkrachtig, als je weet dat vorige plannen strandden wegens te weinig draagvlak.

In de afgelopen vier jaar was er alle tijd om met een oplossing te komen. Met de regio om de tafel gaan. Scenario’s laten onderzoeken. De voorstellen van andere partijen oppakken. (Voor)financiering regelen. Draagvlak creëren. Een koers bepalen. Toch gebeurde er niets. Waarom niet? Mocht het misschien niet in het college met ‘links’? Waar een wil is, is een weg. Waar geen wil is, komt geen weg. Dat is gebleken.

Want wat kan wel? Verbreding van de Kennedylaan en de Eisenhowerlaan in Eindhoven, aanleg van een Oostelijke Randweg om Nuenen, van de provinciale weg N279 een ongelijkvloerse weg maken met 2×2 rijstroken, aanleg van een nieuwe weg die de N279 bij Aarle-Rixtel verbindt met de A50 bij Son, verbreding van de A50 bij Ekkersrijt, verbreding van de A67 en aanleg van een station Eindhoven Airport.

Voor dit wensenlijstje zijn draagvlak, geld en bestuurlijke durf nodig. Met alle drie had in de afgelopen vier jaar kunnen worden begonnen. Maar aan alle drie heeft het die periode ontbroken. Wat Brainport wél kreeg, was meer ergernis, meer overlast en meer economische schade.

Na 20 maart doet zich opnieuw een kans voor om de bereikbaarheid van de regio Eindhoven structureel te verbeteren. Volgens de gedeputeerde komt er weer geld aan, zo lezen wij in de krant. Dat is goed nieuws. Nu nog het draagvlak en de bestuurlijke durf. Het CDA levert die graag. Zuidoost-Brabant verdient het.

Staatssecretaris Mona Keijzer (CDA) op campagnebezoek in Brabant

Staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat (CDA) brengt op zaterdag 9 maart a.s. een campagnebezoek aan Brabant. De staatssecretaris gaat naar Den Bosch, Veghel en Uden en neemt deel aan diverse activiteiten in het kader van de verkiezingen voor een nieuw provinciebestuur, die over twee weken plaatsvinden.

Belangrijke verkiezingsthema’s in Brabant zijn o.a. de economie en de leefbaarheid in steden en dorpen, twee onderwerpen waarmee ook de staatssecretaris zich in Den Haag bezighoudt. Zo presenteerde zij afgelopen zomer een actieplan ter versterking van het midden- en kleinbedrijf en stelde voor deze kabinetsperiode 200 miljoen euro beschikbaar om dit sterker, efficiënter en productiever te maken. Dit geld komt ook in Brabant terecht, waar familiebedrijven en het midden- en kleinbedrijf voor de meeste werkgelegenheid zorgen.

Met deze extra aandacht voor het midden- en kleinbedrijf wil Mona Keijzer o.m. winkelgebieden in steden en dorpen vitaal houden. De leefbaarheid in binnensteden en dorpskernen is ook een belangrijk verkiezingspunt van het CDA Brabant, dat vindt dat de provincie daarin een taak en verantwoordelijkheid heeft. Niet alleen als het gaat om het bevorderen van voldoende winkelaanbod, maar ook om te zorgen voor een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer, het bouwen van genoeg woningen voor starters, gezinnen en senioren én het vergroten van de verkeersveiligheid.

Het programma van de staatssecretaris begint om 11.15 uur op de Markt in Den Bosch, waar ook de Brabantse CDA-lijsttrekker Marianne van der Sloot, Tweede Kamerlid Madeleine van Toorenburg en Eerste Kamerlid Ton Rombouts aanwezig zijn. Tussen 12.30 uur en 13.30 uur is Mona Keijzer in Veghel voor een bezoek aan de Jumbo Foodmarkt met verschillende CDA’ers uit de regio. Onder hen Erpenaar Coen Hendriks, die op plaats 8 van de provinciale CDA-lijst staat. Vanaf 14.30 uur doet de staatssecretaris samen met Tweede Kamerlid Erik Ronnes Uden aan voor een ontmoeting met het winkelend publiek en een kennismaking met plaatselijke ondernemers. Om 16.00 uur is het bezoek afgelopen.

Marianne van der Sloot, lijsttrekker CDA Brabant: “Wij zijn blij met de komst van Mona Keijzer naar onze mooie provincie Brabant. Als staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat is zij verantwoordelijk voor belangrijke onderwerpen als het midden- en kleinbedrijf, het ondernemersbeleid en innovatie. We nemen haar graag mee door onze provincie, langs de mensen die de Brabantse economie draaiende houden: de ondernemers achter het midden- en kleinbedrijf en achter die vele familiebedrijven. Zij zorgen voor werk en hebben vaak ook een maatschappelijke functie. Bijvoorbeeld omdat ze sportclubs, lokale evenementen en buurtactiviteiten sponsoren. Of zorgen voor stageplaatsen. Als CDA zijn we trots op deze mensen. En natuurlijk ook op onze staatssecretaris die zich voor hen inzet.”

Schriftelijke vragen over OV 2040 – Houdt links van Breda de wereld op?

Schriftelijke vragen van Statenlid Ankie de Hoon over het Toekomstbeeld Openbaar Vervoer 2040: houdt links van Breda de wereld op?

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen over OV 2040.

Geacht college,

Onlangs stuurde staatssecretaris Van Veldhoven van Infrastructuur en Waterstaat aan de Tweede Kamer een brief over het Toekomstbeeld Openbaar Vervoer 20401. Wat opvalt in deze visie op het openbaar vervoer van de toekomst, is dat vooral de economische kernregio’s in Nederland snellere en betere openbaar vervoersverbindingen krijgen. En dat een regio als West-Brabant het nakijken heeft.

Want wie in Bergen op Zoom woont en in Tilburg studeert, hoeft in de visie van de staatssecretaris niet te rekenen op sneller en beter openbaar vervoer. En werk je in Roosendaal maar woon je in Den Bosch, dan ben je eveneens slecht af. Net als je collega die op en neer reist tussen Zeeland en West- of Midden-Brabant v.v.

Het CDA maakt zich zorgen over deze eenzijdige focus op de Randstad en het negeren van een regio waar meer dan 700.000 mensen wonen. De indruk ontstaat dat de Brabantse verkeersgedeputeerde, onze belangrijkste ambassadeur en lobbyist in Den Haag, die zelf in Breda woont, met zijn neus naar Den Bosch kijkt en met de rug naar West-Brabant staat. Alsof links van Breda de wereld ophoudt…

Dit brengt het CDA tot de volgende vragen:

  1. Hoe is Brabant betrokken bij de totstandkoming van de visie Toekomstbeeld OV 2040?
  2. Wat is de Brabantse inbreng geweest?
  3. In hoeverre is meegenomen dat een betere OV-verbinding tussen de regio(‘s) en de Randstad kan bijdragen aan een oplossing voor andere vraagstukken van de Rijksoverheid (zoals werkgelegenheid en het woningtekort)?
  4. Is er contact (geweest) met de provincie Zeeland, waar de situatie en belangen deels vergelijkbaar zijn met die in Brabant?
  5. Bent u het met het CDA eens dat de stations Bergen op Zoom en Roosendaal belangrijke schakels zijn richting de provincie Zeeland, richting de metropoolregio’s en richting Midden- en Oost-Brabant? Indien ja, vindt u met ons dat er meer aandacht moet komen voor o.a. de treinverbinding tussen West-Brabant en Zeeland, tussen West-Brabant en de Randstad en tussen West-Brabant en Midden- en Oost-Brabant?
  6. Deelt u de mening van het CDA dat een treinverbinding zonder overstappen of aansluitend overstappen én het vaker laten rijden van treinen via station Bergen op Zoom en vanaf station Roosendaal naar de Randstad én naar Tilburg en Den Bosch bijdraagt aan het verbeteren van de verbinding tussen West-Brabant/Zeeland, de Randstad en Midden- en West-Brabant?
  7. Willen de Rijksoverheid, de Nederlandse Spoorwegen en ProRail mee in de noodzakelijke verbetering van de verbinding van Brabant met Zeeland, met de Randstad en met Midden- en Oost-Brabant?
  8. Bent u bereid Provinciale Staten op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in de Tweede Kamer omtrent het Toekomstbeeld Openbaar Vervoer en evt. investeringen in dit verband die voor Brabant van belang zijn?

Wij zien de antwoorden op deze vragen graag tegemoet, waarvoor bij voorbaat hartelijk bedankt.

Met vriendelijke groet,

Namens de CDA-fractie,

Ankie de Hoon

1 Zie https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/02/06/toekomstbeeld-openbaar-vervoer/toekomstbeeld-openbaar-vervoer.pdf.

Tweede Sint-Janslezing – Inleiding door Stijn Steenbakkers

Op 15 februari jl. verzorgde Stijn Steenbakkers, oud-Statenlid en thans wethouder voor het CDA in de gemeente Eindhoven, de inleiding voor de Tweede Sint-Janslezing in de Sint-Janskathedraal te ‘s-Hertogenbosch. Zijn spreektekst is hieronder te vinden.

Spreektekst1 Stijn Steenbakkers – Wethouder Gemeente Eindhoven
Tweede Sint-Janslezing
(15-02-2019)

Inleiding

Monseigneur, Dames en Heren,

De verkiezing van Trump, de protesten van de gele hesjes in Frankrijk, en het rapport van onze eigen Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid onder de titel De val van de middenklasse?.

We leven in een bijzondere tijd. Ik vind het een eer dat u mij juist in deze tijd heeft gevraagd om te spreken over mijn visie op onze economie en samenleving. Monseigneur, dank voor de uitnodiging!

Ik zal gedurende deze lezing schakelen tussen de ontwikkelingen op een meer macroniveau en op het Brabantse niveau, meer specifiek Zuidoost-Brabant. Waar ik als wethouder Economie & Brainport van de stad Eindhoven de economische ontwikkelingen in (Zuidoost-)Brabant nauwgezet volg. In deze lezing geef ik u vanuit mijn persoonlijke kant enkele diepere bespiegelingen over de uitdagingen in onze economie en samenleving die ik op dit moment zie, en probeer daarbij ook meteen een begin van een perspectief te schetsen. Ik doe dit op basis van wat op mijn hart ligt n.a.v. artikelen, boeken die ik heb gelezen, ervaringen en gesprekken die ik in de afgelopen jaren heb gehad. In het besef dat dit verre van volledig is.

15 februari is in economisch opzicht een bijzondere dag. In de wereldgeschiedenis vonden er enkele fundamentele omwentelingen plaats.

  • 15 februari 1864 is de oprichtingsdag van misschien wel het bekendste bedrijf van het Koninkrijk der Nederlanden. Op die dag in 1864 kocht de toen 22-jarige Gerard Adriaan Heineken namelijk brouwerij ‘De Hooiberg’ in Amsterdam. Een omwenteling. Het begin van de firma Heineken. Nu zijn we hier in Brabant gelukkig gezegend met een ander heerlijk biermerk, gemaakt door een fantastisch Brabants familiebedrijf, maar toch: een Nederland zonder Heineken, zegt zelfs deze Brabander, zou een gemis zijn.
  • Exact 72 jaar later, op 15 februari 1936, vond een andere economische omwenteling plaats op Europees niveau. In Duitsland, dat destijds gebukt ging onder een verschrikkelijk bewind, vond de opening van de eerste fabriek van Volkswagen plaats. Ik heb getwijfeld of ik deze gebeurtenis moest noemen, juist vanwege die donkere kant die er ook onlosmakelijk mee verbonden is. Tegelijkertijd heeft het beschikbaar komen van een auto voor de gewone man onze economie in de 20e eeuw structureel veranderd.
  • En nog maar 14 jaar geleden, op 15 februari 2005, weer zo’n economische omwenteling, maar dan op wereldniveau. De oprichtingsdag van YouTube. Een compleet nieuwe sector, waardoor bestaande industrieën, zoals de muziekindustrie, structureel werden veranderd

Centrale boodschap

En nu is het weer 15 februari, 15 februari 2019.

  • In Amerika is de ‘American Dream’ op veel plekken vervangen door de ‘Fear of Falling’. De angst om te verliezen wat verworven leek. De opkomst van het gevoel dat harder werken niet altijd leidt tot een beter bestaan. Voor de Verenigde Staten is dit gevoel ook een omwenteling.
  • In Frankrijk lopen al maandenlang grote groepen mensen in gele hesjes. Zij protesteren tegen de overheid en willen verandering, het beter krijgen. Ook zij willen een omwenteling.
  • In ons eigen land, zo vertelde minister Hoekstra recent, vindt 85% van de mensen dat het hen economisch goed gaat, maar nog maar 35% denkt dat hun kinderen het financieel beter gaan krijgen dan zijzelf. Nog nooit was deze kloof zo groot, ook een omwenteling.

Allemaal fundamentele ontwikkelingen. Ondertussen worstelen overheden met het vinden van passende en hedendaagse antwoorden. Ook de vrije markt heeft absoluut geen kant en klare oplossing. Zowel markt als overheid zijn naar mijn idee, om het maar economisch te benoemen, in een zekere zin failliet. Zij kunnen dit niet alleen in de bestaande structuren oplossen.

Daarom geloof ik dat we vandaag de dag wéér een omwenteling nodig hebben. Een andere omwenteling. Een meer fundamentele. Eén in de structuur. Volledig beseffend dat ook mijn perspectief niet alomvattend is en slechts een deel van of aanzet tot de totaaloplossing. Maar ik geloof wel dat dit een begin van een perspectief is én dat we er mee moeten beginnen.

Ik pleit voor een fundamentele omwenteling door de informele kant van onze economie te versterken, met de ‘triple helix’ samenwerking als middel. De informele economie is alles wat niet tot de markt en tot de overheid behoort. De Italiaanse econoom Bruni gebruikt de term ‘civiele economie’. ‘Een economie’, zoals hij zegt, ‘waarin de intrinsieke waarde van intermenselijke relaties economisch wordt erkend’. Een economie is meer dan wat meetbaar is in geld.’ De triple helix samenwerking – de samenwerking tussen overheid, ondernemers en onderwijs verenigd in een onafhankelijk orgaan waar de hoofdlijnen van het economisch beleid gezamenlijk in gedragenheid worden bepaald – is hier naar mijn idee een perfect hedendaags voorbeeld van. Alle partijen zetten zich daar vrijwillig in, in onderlinge afhankelijkheid, voor het groter belang en de bredere economische en maatschappelijke ontwikkeling.

Deze triple helix samenwerking zou naar mijn idee op alle niveaus gestalte kunnen krijgen: op lokaal, regionaal, nationaal en wellicht zelfs Europees niveau. Waarbij ik ervoor pleit dat de centrale overheid dit in ieder geval stimuleert en ondersteunt op lokaal en regionaal niveau.

En Brabant kan hierbij met zijn historie en ervaringen in triple helix samenwerkingen zoals Brainport, AgriFood Capital en Midpoint een belangrijke rol vervullen.

De huidige economische situatie

Hoe kom ik hierop? Ik neem u mee in mijn diepere analyse.

Na de crisis van 2008 kennen we een fantastische economische groei in Nederland, over de laatste vier jaar gemiddeld meer dan 2,0% per jaar. De werkloosheid liep in de crisis flink op met als piek 7,4% in 2014, om vervolgens vanaf 2015 weer te dalen naar 4,9% eind 2017. Historisch gezien zeer laag.

Voor Brainport Eindhoven golden bijna Chinese economische groeicijfers. In 2017 4,9% groei, ver boven het landelijk gemiddelde. Met een werkloosheidspercentage van 4,2%, iets onder het landelijk gemiddelde. Op dit moment staan er alleen in de Brainport regio bijna 13.000 vacatures open die we niet zomaar krijgen ingevuld. Vaak in de high tech maakindustrie, op alle niveaus: wo, hbo en mbo. Dus zowel de knappe koppen als de gouden handjes.

We kunnen dus stellen dat het, op zijn Brabants gezegd, ‘keigoed’ gaat met onze economie. Niks meer aan doen. Strik eromheen en door. Toch?

Laat ik beginnen met te zeggen dat er natuurlijk veel dingen goed gaan in onze economie en samenleving, en dat we daar met elkaar echt trots op mogen zijn. Maar in de diepere lagen van onze economie en samenleving broeit en speelt er veel meer. En dit is breed in de westerse wereld. Ik had het er al over:

  • In Amerika de ‘Fear of Falling’.
  • In Frankrijk de gele hesjes.
  • In Nederland de zorgen om de financiële toekomst van onze kinderen.

Kim Putters, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, verwoordde dit gevoel in Nederland naar mijn idee heel goed: ‘Met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht’.

Analyse

Hoe komt het nu dat we zulke fundamentele vragen over de houdbaarheid van onze economie/samenleving hebben? Het is natuurlijk moeilijk om hier een eenduidig antwoord te geven en ik zal verre van volledig zijn, maar laat ik hierop mijn analyse en visie geven.

Caroline de Gruyter beschreef het in haar column in NRC, o.a. geïnspireerd op de Canadese hoogleraar Mintberg, laatst mooi: ’Stelt u zich een kruk op drie poten voor.’ Stevig en in balans op de grond. Historisch gezien kon je onze economie/samenleving zien als een kruk, met drie stevige poten: de markt, de overheid en de informele sector. Markt en overheid behoeven geen verdere uitleg. Tot de informele sector behoorden de vele verenigingen, kerken, clubjes, vakbonden, gilden, product- en bedrijfschappen, buurtgezelschappen en ga maar door. Juist in onze Brabantse economie/samenleving was deze informele sector zeer aanwezig. En nog steeds zien we dit aspect in Brabant sterk terug. Houdt u dit krukje nu even vast in uw gedachten en zie hoe twee historische ontwikkelingen begonnen te zagen aan twee van de krukpoten.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog ontstond op het politieke toneel een decennialange focus op de strijd tussen kapitalisme en communisme. In deze intensieve strijd tussen markt en overheid, tussen links en rechts, tussen individu en collectief is veel wat noch tot de markt noch tot de overheid behoort in de afgelopen decennia langzaam steeds meer in het politieke verdomhoekje geraakt. De informele sector. Het cement tussen markt en overheid. De sector die zowel overheid als markt kon temmen. Het belangrijkste verschil was dat in die informele sector men informeel sterk met elkaar verbonden en afhankelijk was. Men keek naar elkaar om, zorgde voor elkaar. Er golden informele regels die zowel voor de markt als voor de overheid onlogisch waren. De Italiaanse econoom Bruni zou zeggen dat intermenselijke relaties hier economisch werden gewaardeerd. Mensen deden dingen voor elkaar die niet mogelijk waren voor markt of overheid. Twee voorbeelden.

  1. Een voetbalvereniging die een nieuwe accommodatie nodig had in economische hoogtijdagen. Op de ‘markt’ kon het niet voor het geld dat ze hadden gereserveerd. Een aantal aannemers, die de club een warm hart toedroegen, ‘konden het wel’ uit liefde voor de club. Het enige wat ze wilden was het gereserveerde geld van de gemeente en dan regelden ze het allemaal zelf wel. In het verleden kon dit. Maar tegenwoordig is dit moeilijker. Veel is dichtgeregeld: aanbestedingsregels, procedures, welstandseisen, bestemmingsplannen etc. Terwijl wanneer dit wel zou kunnen de informele sector de markt ‘te slim af’ kan zijn.
  2. De bedrijfshal en het productiemateriaal van een ondernemer die zwaar waren beschadigd door een blikseminslag en wateroverlast. In plaats van te wachten op het verzekeringsgeld werd de ondernemer door concurrenten en andere bedrijven direct geholpen aan een nieuwe ruimte om te kunnen blijven produceren tot het gebouw werd gemaakt. Medewerkers en mensen uit de buurt werkten gratis mee aan de verhuizing. De overheid bood steun en keek actief mee hoe ze zo flexibel mogelijk met de regels kon omgaan in deze bijzondere situatie.

Allemaal voorbeelden van een informele sector en samenwerking tussen partijen waarvan er gelukkig nog steeds veel mooie voorbeelden in Brabant zijn. Maar door de voortdurende focus op markt-overheid, links-rechts, hebben we deze krukpoot in politieke zin wel verwaarloosd en wellicht onbewust beschadigd. ‘De economie’ werd meer van de andere twee actoren, van de markt en/of de overheid.

Deze machtsverhouding was in de meeste westerse samenlevingen, ook de Nederlandse, tot ca. twintig jaar geleden minder merkbaar. Waarom?

Hier komt Mintzberg met een interessante analyse. Er bestonden namelijk nog twee dominante marktordeningsideologieën: het communisme en het kapitalisme. Zij vochten op het wereldtoneel om dominantie. Hoewel in de meeste westerse landen het kapitalisme, de markt, op meer aanhang kon rekenen bestond er óók in westerse landen een grote groep aanhangers van het communisme. Door de aanwezigheid van een sterke andere ideologie, in dit geval het communisme, werd het kapitalisme, de markt, getemd. En feitelijk werd de rol van de overheid hierdoor versterkt. De scherpe randjes gingen zo van het kapitalistische systeem af. Maar toen het communisme wereldwijd langzaam aftakelde, met uiteindelijk de val van de Muur, veranderde dit. Het kapitalisme had ‘gewonnen’ en geen concurrentie meer. En toen ging ‘de markt’ los…

  • Met een onuitputtelijk geloof in deregulering, een blind vertrouwen in de vrije markt en het heilige geloof in groei, ‘no matter what’, evolueerden onze economie en samenleving tot wat zij nu zijn.
  • De dominantie van de markt. Waarbij de overheid de markt niet of nauwelijks meer kan temmen.
  • Het is schokkend, maar in veel landen is de markt nu even machtig als de staat destijds in het Oostblok was.
  • En dit systeem loopt, naar mijn idee, tegen zijn grenzen aan.

Oordeel

En nu weer terug naar het krukje van De Gruyter. Er zitten nog steeds drie poten onder. De krukpoot van de markt staat fier overeind, maar bij de andere twee zitten stevige scheuren. Het evenwicht is zoek.

Mensen glijden van het krukje af. Glijden uit onze economie/samenleving. Voelen zich er geen onderdeel meer van. Voelen zich, soms, machteloos.

Het is naar mijn overtuiging dit effect, deze ontwikkeling, die leidt tot de fundamentele bestaanszekerheidsvragen.

Dit zijn de gele hesjes. De economie, de samenleving. Ze voelen zich er geen onderdeel meer van. Sommige voelen zich machteloos. Het staat ver weg.

Dit is ook te zien in de betekenis van het woord ‘economie’ nu. Lees het nieuws met het woord economie erin: het gaat over financiële markten, rentes, winsten etc. In de Dikke van Dale staat letterlijk:

  1. De wetenschap die het menselijk streven naar welvaart tot voorwerp heeft.
  2. Het geheel van financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.

Deze definitie staat ver weg van mensen. Er is behoefte aan meer geborgenheid, aan een economie waar mensen zich meer nadrukkelijk onderdeel van voelen. Is de markt dan slecht? Nee, zeker niet. We hebben de markt hard nodig. Maar de markt is nu wel heel dominant geworden.

Zoals ik al in mijn inleiding en bij mijn centrale boodschap heb gezegd, denk ik dat fundamentele versterking van de informele economie via de triple helix samenwerking bij economisch beleid kan bijdragen aan een oplossing. Waarom zeg ik dit en wat heeft mij hierbij geïnspireerd?

Inspiratie: leren uit het verleden

Wat is economie? De oorsprong: humanisme en katholicisme

Zijn er bij het zoeken naar een oplossing inspiratiebronnen? Ongetwijfeld zijn er in vele overtuigingen/religies heel mooie inspiratiebronnen te vinden. Ook hier wil ik zeker niet de schijn wekken volledig te zijn. Maar voor mij zijn er twee die eruit springen: het humanisme en het katholicisme.

Het humanisme. Tijdens mijn middelbareschooltijd op Bernrode, hier in de buurt in Heeswijk-Dinther, leerden we dat het Griekse woord ‘oikos’ huis betekende. Dit stond overigens soms op de muren in de ‘chambretjes’ gekrast. Wellicht omdat de studenten van die tijd wel eens heimwee hadden? Klopt dit Monseigneur? En daarna leerden we dat dit eigenlijk het basiswoord was voor ‘oikonomia’, het equivalent van economie nu. ‘Oikonomia’ bestaat uit de Griekse woorden ‘oikos’ (huis) en ‘nomos’ (wet/regel). In het Grieks betekende ‘oikonomia’, economie, dus niets meer of minder dan huishoudkunde. Bij de Grieken had het woord economie dus een zeer kleinschalige en dichtbije betekenis.

Dit strookt ook met wat we zien in de deugdenethiek van Aristoteles uit die tijd. Hij verstond onder oikonomia ‘alles wat nodig is om je doel/de praxis te verwezenlijken’. Het streven naar sec meer welvaart of geld, puur als doel, zou Aristoteles dus sterk afkeuren. Omdat hierin de praxis, het doel, niet meer centraal zou staan.

Ook het katholieke denken biedt inspiratie. Het woord ‘oikonomia’ wordt hier gebruikt in het Nieuwe Testament (Lucas 16:2-4), waar het werd vertaald als ‘beheer’ of ‘rentmeesterschap’. Het gaat hier om een zorgvuldig beheer van een goed of dienst, maar ook van je omgeving/de wereld.

Dit begrip van economie is verder uitgewerkt in het katholieke sociale denken door de jaren heen. Van het ‘Rerum Novarum’ (1891) tot het ‘Laudato Si’ (2015). Dit denken zegt dat mensen/partijen het met elkaar moeten doen en dat ze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De mensen die rijk zijn, zowel qua bezit of geest, dus ook als je bovenmatige intellectuele capaciteiten hebt, zijn verplicht deze ‘overvloed’ te delen met hun medemensen. Je mag dus zeker rijk zijn, bezit hebben, sterker dit wordt aangemoedigd, maar je bent verplicht dit te delen.

Interessant vind ik de directe lijn van dit denken naar het recente ‘Laudato Si’ van Paus Franciscus uit 2015. Hierin wordt de integraliteit van de onderlinge verbondenheid van mensen, die nu op aarde rondlopen, nadrukkelijk verbonden naar onze kinderen en kleinkinderen die nog geboren moeten worden. Het legt wederom een sterke rol op het beherende van de mens in de economie. Duurzaamheid. We hebben het allemaal te leen van onze (klein)kinderen. Zoals een familiebedrijf.

Uiteindelijk komen de katholieke sociale leer en inspiratie voor mij in diepere zin hierop neer.

Mensen zijn, juist zonder markt of overheid, intrinsiek met elkaar verbonden en hebben een verantwoordelijkheid voor elkaar te zorgen. Alleen onderlinge samenwerking en verbinding tussen (groepen) mensen leiden tot een betere en duurzaam houdbare economische orde/samenleving.

Dames en heren, zowel de oude Grieken, een economie die dichtbij is/‘huishoudkunde’, als het katholieke sociale denken in a. ‘het beherende’ en b. ‘de onderlinge verbondenheid en goede samenwerking’ geven mij inspiratie om te kijken hoe we het evenwicht kunnen terugbrengen.

Mijn perspectief

Zoals gezegd in mijn boodschap aan het begin, geloof ik in een fundamentele omschakeling. De informele sector moet worden versterkt. Ik stel voor om dit te doen op een hedendaagse manier, via de samenwerking in de triple helix. In dit onafhankelijke orgaan zetten ondernemers, overheden en onderwijs zich gezamenlijk op vrijwillige basis in om de lokale, regionale, landelijke en wellicht zelfs Europese economische koers te bepalen. Alle partijen zullen daarbij wellicht een deel van hun verantwoordelijkheden moeten durven loslaten. Waarom geloof ik hierin?

  1. Burgers kunnen zo op drie verschillende manieren indirect verbonden zijn met de vorming van economisch beleid. Via de overheid, via het onderwijs of via het bedrijfsleven. Dit kan ervoor zorgen dat economie weer dichter bij mensen komt te staan. ‘Op huishoudniveau’, zoals ooit bedoeld door de oude Grieken.
  2. In de triple helix zijn alle partijen erbij gebaat om goed samen te werken. Om rekening te houden met elkaars belangen, juist op de langere termijn. Je moet er gezamenlijk uitkomen en weet ook dat je elkaar (over)morgen en over één jaar, tien jaar weer tegenkomt. Dit kan zorgen voor een meer beherende, lange termijn vorm van economisch beleid. Zie hier het beherende uit het katholiek sociale denken.
  3. Door de manier van samenwerken wordt ook een informele onderlinge verbinding en afhankelijkheid gecreëerd. Zoals de Italiaan Bruni zei: ‘De intrinsieke waarde van intermenselijke relaties wordt economisch erkend’. Partijen hebben iets voor elkaar over, hoewel het financieel gezien wellicht op sec dat onderdeel niet het meest efficiënt is. Feitelijk de informele sector zoals we die vroeger kenden. Zie hier de inspiratie van de onderlinge verbondenheid uit het katholieke sociale denken.

In mijn centrale boodschap bij de inleiding heb ik ook gezegd dat Brabant en Brainport hierin een gidsfunctie kunnen vervullen.

Waarom vind ik dat? Om drie redenen:

  1. Het zit in het DNA van de Brabander. Er is behoefte om dit te verkennen en verbeteren! Om het evenwicht te herstellen. Veel mensen in Brabant zijn op zoek naar verbetering van ons economisch systeem en van onze samenleving, naar zingeving met een zachte G. Brabant Advies verwoordt dit wat mij betreft mooi in de uitnodiging voor de Trendnacht 2019: God, Geld en Geluk. ‘Brabant is ontkerkelijkt. De levensbeschouwelijke leegte die het geloof achterliet, is opgevuld door het streven naar materiële welvaart, individuele vrijheid en geluk. Maar deze geld-is-geluk-bubbel is niet zaligmakend, merken we. Ondanks dat grotere huis, die mooiere auto, die tweede vakantie, missen we iets. Zo zijn steeds meer jonge Brabanders op zoek naar betekenis. En ook ondernemers in Brabant gaan niet alleen maar voor winstmaximalisatie: ze willen dat hun bedrijf ook sociale en ecologische meerwaarde creëert. Wat bezielt deze zingevers met een zachte G? Wat maakt ons leven en het samenleven waarde(n)vol?’
  2. De langetermijnvisie zit in het DNA en de structuur van de Brabantse economie. Dit omdat de Brabantse economie, en helemaal die in Brainport Eindhoven, zich kenmerkt door een zeer sterke, hechte maar afhankelijke bedrijfsstructuur. In Brainport werken Philips, ASML, VDL, NXP en DAF samen in een keten met 6000 MKB-ondernemingen. Deze zijn afhankelijk van elkaar, wat maakt dat bedrijven verder kijken dan de volgende kwartaalcijfers. Dit langetermijndenken is van enorme meerwaarde aan de triple helix tafel.
  3. We hebben er ervaring mee in Brabant. In Brainport werken en experimenteren overheid, bedrijfsleven en onderwijs bijvoorbeeld al sinds de jaren ’90 met de triple helix samenwerking . Op basis van gelijkwaardigheid tussen de drie partijen worden hier belangrijke beslissingen voor de toekomst genomen.

Zijn we er dan al in Brabant/Brainport? Nee natuurlijk niet, dit is een complex probleem dat niet zomaar is opgelost. En ook acteren we in een mondiale, concurrentiegevoelige economie. Maar er staat een fundament. Drie partijen, drie poten van de kruk, praten op basis van gelijkwaardigheid met elkaar en nemen samen beslissingen. De ambitie is er om ook Brainport nog meer ‘voor iedereen’ te laten zijn en dichter bij mensen te brengen. Daar gaan we dit jaar allerlei initiatieven voor nemen (MKB klankbord; werkgroep sociale inclusiviteit/brede welvaart). Het is mijn overtuiging dat we in dit soort relatief nieuwe structuren als de triple helix verder moeten gaan ontdekken en ontwikkelen. Geen gemakkelijke opgave, maar zeker mogelijk!

Kortom, de ingrediënten zijn er om het anders te doen, om zo een duurzamer en draagbaarder economisch systeem en samenleving te creëren.

Monseigneur, tot zover. Ik ben heel benieuwd naar uw visie en kijk op deze thematiek.

1 Alleen het gesproken woord telt.

Spreektekst Stijn Steenbakkers Tweede Sint-Janslezing (15 februari 2019)

CDA Brabant op werkbezoek in Wanroij, Boekel en Mill

Het CDA Brabant brengt op vrijdag 8 februari a.s. een werkbezoek aan Wanroij, Boekel en Mill. Aan dit werkbezoek, georganiseerd door het CDA in het Land van Cuijk, nemen o.a. Marianne van der Sloot (fractievoorzitter/lijsttrekker), Marcel Thijssen (kandidaat-Statenlid, regio Land van Cuijk), Tanja van de Ven-Vogels (kandidaat-Statenlid, woordvoerder landbouw), Ankie de Hoon (zittend Statenlid, woordvoerder verkeer & vervoer) en Tom Berendsen (kandidaat-Europarlementariër) deel.

Het werkbezoek staat in het teken van de agrarische sector. Zo staan op het programma een kennismaking met een kringlooplandbouw-bedrijf, een bezoek aan een duurzame bloembollenteler én een ontmoeting met een gestopte rundveehouder.

CDA-lijsttrekker Marianne van der Sloot:

“Wij zijn blij met de uitnodiging voor dit werkbezoek. In de Brabantse landbouw is in de afgelopen jaren veel gebeurd. Neem bijvoorbeeld het veehouderijbesluit uit 2017, dat de sector hard heeft geraakt. Van de ene op de andere dag moesten boeren zes jaar eerder dan afgesproken voldoen aan nieuwe milieueisen. Voor veel familiebedrijven een onmogelijke opgave en destijds voor het CDA reden om tegen het besluit te stemmen. Nu zijn we anderhalf jaar verder en worden de gevolgen van het besluit merkbaar. Over hoe dit uitpakt voor de agrarische ondernemers in het Land van Cuijk en aan de Peelrand, laten we ons graag ter plekke informeren.”

Het CDA is vóór duurzame landbouw, maar tegen onrealistische deadlines en negatieve effecten, zo schrijft de partij in haar verkiezingsprogramma voor de Provinciale Statenverkiezingen op 20 maart a.s. Blijken bijvoorbeeld de nieuwe, milieuvriendelijkere stallen die boeren verplicht zijn vóór 2022 te bouwen niet op tijd ontwikkeld en goedgekeurd te zijn, dan moet de provincie dat besluit wat het CDA betreft herzien.

Kandidaat-Statenlid Marcel Thijssen (CDA), afkomstig uit Cuijk:

“De agrarische sector is belangrijk voor Brabant, voor het Land van Cuijk en de Peelregio. Net als gezondheid en een gezond leefklimaat. Daarbij past een provincie die oog heeft voor wat er speelt en leeft, die beseft dat betrouwbaarheid van overheidshandelen een must is en die bereid is om noodzakelijke veranderingen te faciliteren. Haalbaar en betaalbaar. Met draagvlak als uitgangspunt. Dat vraagt om een andere aanpak dan we in de afgelopen jaren hebben gezien: meer realisme, minder regels en meer trots.”

Het werkbezoek start om 09.00u en duurt tot 14.30u. Om 13.30 uur is er een persmoment bij het voormalige rundveebedrijf van de familie Meulepas aan de Heufseweg 9 te Mill. Eenieder met belangstelling is uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn en de CDA-kandidaten beter te leren kennen.

CDA over stalbranden: provincie moet boeren helpen en beschermen

Het CDA wil dat de provincie Noord-Brabant door stalbranden getroffen boeren helpt en beschermt. Helpen om er weer bovenop te komen én beschermen tegen activisten die hen en hun families bedreigen en belagen.

Aanleiding is de brand op een boerderij in Biezenmortel vorige week, die nadien werd beklad door activisten. Sindsdien houden buurtbewoners houden de wacht om te voorkomen dat zich nieuwe incidenten voordoen. Hulde voor de buurt, maar natuurlijk van de zotte dat zulke maatregelen nodig zijn, vindt het CDA, dat de actie richting de boer scherp veroordeelt. “Dit is niet de manier waarop we in Brabant met elkaar horen om te gaan. Het leed is zo al groot genoeg.” Aldus kandidaat-Statenlid Tanja van de Ven-Vogels (CDA).

Behalve voor hulp en bescherming pleit het CDA er óók voor dat de provincie met boeren meedenkt over maatregelen die kunnen helpen stalbranden te voorkomen. Hiertoe zou het Brabantse provinciebestuur moeten aansluiten bij een voorstel van Tweede Kamerlid Jaco Geurts (CDA)1, dat de regering verzoekt om samen met de sector in kaart te brengen welke snelle detectiesystemen rondom brand er mogelijk zijn in technische ruimten van veehouderijbedrijven én welke kosten daarmee gemoeid zijn. De Tweede Kamer nam dit voorstel vorige maand met een ruimte meerderheid aan (alleen de Partij voor de Dieren stemde tegen).

Van de Ven-Vogels (CDA): “Stalbranden zijn een drama voor mens en dier. Dieren komen om en de houder en zijn familie zien hun levenswerk in vlammen opgaan. Het leed voor alle betrokkenen is onbeschrijflijk groot. Als CDA pleiten wij ervoor dat de overheid dan naast de boeren gaat staan en niet tegenover hen. Dat zij hen bijstaat, helpt en beschermt. Als een goede buurman.”

Als het aan het CDA ligt, komt er in de provinciebegroting voor 2020 geld beschikbaar om boeren te helpen brandpreventie maatregelen te nemen. Van de Ven-Vogels: “Het kan niet zo zijn dat de provincie zich alleen druk maakt als het milieu in het geding is, maar niet thuis geeft als zich drama’s van deze aard en omvang voordoen.”

1 Zie https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2019Z01232&did=2019D02767.

Opinie Marianne van der Sloot c.s. – ‘Stoppen met dromen en drammen over klimaat’

Opinie van Marianne van der Sloot en 11 andere CDA-lijsttrekkers in dagblad De Telegraaf d.d. 5 februari 2019.

‘Stoppen met dromen en drammen over klimaat’

De plannen van de klimaattafels getuigen niet van realisme en gezond verstand. Dat stellen de twaalf CDA-lijsttrekkers voor de Provinciale Statenverkiezingen. In de week van het klimaatdebat in de Kamer en het eigen partijcongres, stellen zij vier voorwaarden aan het Klimaatakkoord.

Klimaat is een belangrijk thema in de campagne voor de provinciale verkiezingen. Dat is terecht. Om de doelen van Parijs te halen, zijn de provincies van cruciaal belang. Als CDA lijsttrekkers van de twaalf provincies onderschrijven wij de doelen en zien wij veel kansen voor onze provincies. Maar om Parijs te halen is meer realisme en gezond verstand nodig in de uitvoering. Daarin schieten de plannen van de klimaattafels tekort. Daarom stellen wij vier voorwaarden aan het definitieve akkoord.

Een succesvolle klimaataanpak vraagt allereerst om draagvlak in plaats van doordrukken. Bij de presentatie van het concept-klimaatakkoord is te veel mist ontstaan over de werkelijke klimaatopgave. Het debat is gekaapt door felle voor- en tegenstanders, door drammers en sceptici. Maar door mensen alleen bezorgd of boos te maken komt een oplossing niet dichterbij. De keuzes zijn lastig, zoals we zien in discussies over windmolens. Iedereen weet dat ze nodig zijn, maar niemand wil ze in de achtertuin.

Veel van de zorgen gaan over de rekening van de klimaataanpak. Die zorgen zijn terecht. Voor veel mensen is een nieuwe elektrische auto nog lang geen haalbaar alternatief. Zij zijn al blij met een degelijke tweedehands, die ook de komende jaren nog vaak op benzine rijdt. Ook de plannen om huizen te isoleren en van het gas af te halen vragen om grote investeringen, bovenop de hogere energierekening die mensen dit jaar al betalen. Daarom moeten we zorgen dat de veranderingen voor iedereen haalbaar en betaalbaar zijn.

In de derde plaats pleiten wij voor een realistischer tempo in de uitvoering. De klimaatplannen zijn geformuleerd voor 2030 en 2050. We hebben dus een generatie de tijd om alle doelen te realiseren. Die tijd moeten we nuttig gebruiken, door nu te doen wat kan en nodig is en andere maatregelen uit te smeren over de komende decennia. Dat geeft een realistisch perspectief, maar schept ook ruimte om maximaal te profiteren van de innovatie en de technologische vooruitgang. Ook de markt levert hier een bijdrage. Zo heeft Volkswagen al aangekondigd vanaf 2026 uitsluitend nog elektrische auto’s te produceren. Daar is dus geen peperdure subsidie voor nodig.

De vierde voorwaarde is een eerlijk Europees speelveld. Het Nederlandse klimaatbeleid is gericht op een CO2-reductie van 49%. In Europa zoekt het kabinet steun voor een verdere reductie tot 55%. De realiteit is dat veel van de ons omringende landen niet verder komen dan 40 tot 45%. Dat maakt de Nederlandse ambitie riskant. Een Nederlandse ‘kop’ op de Europese doelen betekent dat wij voor veel geld de problemen van andere landen oplossen en de concurrentiepositie voor MKB’ers en grote bedrijven verslechtert. Daarom moet Nederland aansluiten bij de Europese doelen, ook als dit lager is dan de ambities waar het kabinet nu vanuit gaat.

Wij kunnen de klimaatopgave tot een succes maken en onze provincies schoner doorgeven aan de volgende generaties. Dat kan als we stoppen met dromen en drammen en kiezen voor haalbare, betaalbare en realistische plannen. Daarover kan de kiezer zich op 20 maart uitspreken.

De CDA-lijsttrekkers voor de verkiezingen Provinciale Staten: Jan Nico Appelman (Flevoland), Jo Annes de Bat (Zeeland), Adri Bom-Lemstra (Zuid-Holland), Gerhard Bos (Gelderland), Derk Boswijk (Utrecht), Patrick Brouns (Groningen), Dennis Heijnen (Noord-Holland), Eddy van Hijum (Overijssel), Henk Jumelet (Drenthe), Ger Koopmans (Limburg), Sander de Rouwe (Friesland), Marianne van der Sloot (Noord-Brabant).

Opinie Marianne van der Sloot – ‘Van die ‘beweging’ heeft Brainport weinig gemerkt’

Opinie van Statenlid/fractievoorzitter en lijsttrekker Marianne van der Sloot in het Eindhovens Dagblad d.d. 31 januari 2019.

Van die ‘beweging’ heeft Brainport weinig gemerkt

CDA-lijsttrekker Marianne van der Sloot reageert op de uitspraken van gedeputeerde Christophe van der Maat in het ED.

Beste Christophe,

Brabantse nachten zijn lang. Zeker die ene van vier jaar geleden. Die ene, hele lange nacht op het Provinciehuis in Den Bosch. Ik heb het natuurlijk over de verkiezingen voor de provincie, die op 18 maart 2015 plaatsvonden en ver na middernacht werden beslist. Brabant had gestemd. Een voor een kwamen per gemeente de uitslagen binnen, lange tijd ging het nek aan nek tussen jouw VVD en mijn CDA. Pas toen het licht werd, tekende zich de einduitslag af: met slechts 1777 stemmen verschil kregen jullie het goud en moesten wij genoegen nemen met zilver.

Desondanks waren wij optimistisch gestemd. Wat we konden écht iets gaan doen aan de bereikbaarheid van Eindhoven. Van de gemeenten rondom Eindhoven. Van Brainport. Een van de slimste en snelst groeiende regio’s ter wereld. Waar je elke dag in de file staat. Onbestaanbaar.

Daar moeten we dus iets aan doen. Vonden wij als CDA. En vond ook de VVD. Dachten we tenminste. Want niet lang na de verkiezingen spatte onze droom voor een bereikbaar Brainport uiteen. Schakend op twee borden koos jouw VVD er voor een deal te sluiten met de SP en twee andere partijen: ‘links’ mocht vier jaar losgaan op milieu, de VVD op industrie. En de bereikbaarheid van Eindhoven? Daar zouden jullie vieren het dan deze periode niet over hebben. De gedeputeerde mobiliteit kon zijn agenda vooral vullen met vergaderingen, met het doorknippen van de lintjes van zijn voorganger. En met een beetje smart mobility.

Als CDA, inmiddels oppositiepartij, zagen we het met lede ogen aan. Maar de grootste verliezer van deze deal: de inwoners en forenzen van Eindhoven, Helmond, Nuenen en Laarbeek. Zij staan iedere dag stil, zien het sluipverkeer, de overlast en incidenten toenemen, en horen op de radio hoe Eindhoven een vaste plek heeft verworven in de dagelijkse fileberichten. Het akkoord dat jouw VVD in 2015 sloot met SP, D66 en PvdA kreeg, hoe ironisch, de titel Beweging in Brabant. In Brainport heeft de automobilist echter weinig van die ‘beweging’ gemerkt. Evenmin trouwens bij knooppunt Hooipolder en op de Merwedebrug, waar het óók stilstaan en achteraan aansluiten is. En waar behalve de automobilist ook de omwonenden telkens de dupe zijn.

Vier jaar lang stilstaan in Brainport. Zonder perspectief op verbetering. Want elk voorstel, elke oplossingsrichting die in de Provinciale Staten voorbijkwam, werd steevast bij elke begrotingsbehandeling door jou ontraden en door jouw politieke ‘bondgenoten’ weggestemd. En het geld dat opzij was gezet voor een oplossing, werd ondertussen driftig uitgegeven. Waaraan eigenlijk? In elk geval niet aan het oplossen van de verkeersproblemen rondom Eindhoven. Nee, een alternatief voor de zogenoemde Noordoostcorridor mocht er niet komen. Wat de regio wél kreeg, was meer ergernis, meer overlast en meer economische schade. Hoeveel bedrijven zouden omwille van de slechte bereikbaarheid Brainport reeds links (hebben) laten liggen en hun heil elders zoeken? De VVD heeft Brainport, de regio Eindhoven, een slechte dienst bewezen. Niet erg liberaal.

En toen waren we vier jaar verder. En was er ‘ineens’ jouw interview in het Eindhovens Dagblad van 24 januari. ‘Tijd voor volgende stap in Brainport’, tekende de krant uit jouw mond op. Met de verkiezingen in aantocht moesten betrokken gemeenten van jou maar eens met voorstellen komen, waarmee een nieuwgekozen provinciebestuur straks aan de slag kan. Eindhoven, met hoe ‘toevallig’ een VVD-wethouder op mobiliteit, pakte de handschoen op en ensceneerde deze week een schijngevecht tussen ‘links’ en ‘liberaal’. Goed voor de verschillen, goed voor de verkiezingen, zal het campagneteam van de VVD hebben gedacht. Misschien dat meer gemeenten het voorbeeld volgen.

Laten we eerlijk zijn: in de afgelopen vier jaar is in Brabant het verschil tussen ‘links’ en ‘liberaal’ praktisch verdampt. De verkeersproblemen in Brainport hebben dat pijnlijk duidelijk gemaakt.

Daarom mijn oproep aan jou: Christophe, haal Brainport uit zijn nachtmerrie. Het hoeft nog niet te laat te zijn. In de nacht van 20 op 21 maart a.s. zullen we elkaar opnieuw treffen. Allebei met zoveel meer ervaring dan vier jaar geleden. Jij met de ervaring met ‘links’, ik met de ervaring van vier jaar oppositie. Praktisch gezien komt dat op hetzelfde neer: je bereikt weinig en er wordt je niets gegund.

Tijd voor verandering dus. Met een verkeersoplossing voor Brainport ín een volgend bestuursakkoord, en met meer perspectief ín Zuidoost-Brabant. 1777 stemmen kunnen zomaar het verschil maken.

Marianne van der Sloot is fractievoorzitter in Provinciale Staten en lijsttrekker van het CDA Brabant.

Schriftelijke vragen over economische schade in Brainport en ‘Braxit’

Schriftelijke vragen van Statenleden Kees de Heer en Ankie de Hoon over economische schade in Brainport en vrees voor ‘Braxit’.

Klik op de volgende link: Schriftelijke vragen over ‘Braxit’.

Geacht college,

Sinds de uitspraken van verkeersgedeputeerde Van der Maat in het Eindhovens Dagblad staat de slechte bereikbaarheid van de regio Eindhoven ‘ineens’ weer volop op de provinciale agenda. Waar het CDA altijd is blijven hameren op een oplossing, was de urgentie daartoe bij het huidige provinciebestuur in de afgelopen jaren compleet afwezig. Ieder voorstel en elke mogelijke oplossingsrichting werden weggestemd en het geld bestemd voor de ‘Ruit’ is inmiddels verdampt.

Het CDA is blij dat de slepende verkeersproblemen rondom Eindhoven nu wél de aandacht krijgen die ze verdienen, maar is bezorgd over de economische schade die Brabant en de regio ondertussen blijven oplopen. Moeten we vrezen voor een ‘Braxit’: een vertrek van bedrijven uit Brainport? In dat licht heeft het CDA voor u de volgende vragen:

Vraag 1

  1. Hoe groot schat u de economische schade a.g.v. files en de slechte bereikbaarheid van Eindhoven e.o. in de periode 2015-2019?Hoeveel euro is dat resp. per Brabander en per inwoner van de Brainport-regio?
  2. Indien deze cijfers niet bekend zijn, bent u bereid die te laten doorrekenen?

Vraag 2

  1. Hoeveel geld denkt u dat Brainport in de afgelopen jaren is misgelopen door de slechte bereikbaarheid van de regio?
  2. Indien niet bekend, bent u bereid dit te laten onderzoeken?

Vraag 3

  1. Is bekend hoeveel bedrijven voornemens waren zich in afgelopen jaren in de regio Eindhoven te vestigen, maar daar omwille van de slechte bereikbaarheid, zonder perspectief op verbetering, van hebben afgezien?
  2. Indien niet bekend, bent u bereid hiernaar navraag te doen bij bijvoorbeeld de gemeente Eindhoven en werkgeversorganisatie VNO-NCW Brabant Zeeland?

Vraag 4

  1. Zijn u signalen bekend over een ‘Braxit’, d.w.z. een vertrek van bedrijven uit Brainport?
  2. Hebt u aanwijzingen dat bedrijven Brainport mijden a.g.v. de slechte bereikbaarheid en hun toevlucht zoeken in andere landen, zoals België, of provincies, bijvoorbeeld Limburg?

Wij zien de antwoorden op deze vragen graag tegemoet, waarvoor bij voorbaat hartelijk bedankt.

Met vriendelijke groet,

Namens de CDA-fractie,

Kees de Heer en Ankie de Hoon

CDA: alle opties open t.a.v. veehouderijbesluit 07/07

“Besluit herzien als dat onrealistisch blijkt”

Het CDA in de provincie Noord-Brabant houdt alle opties open t.a.v. het Brabantse veehouderijbesluit uit 2017. In haar verkiezingsprogramma voor de provinciale verkiezingen schrijft de partij het besluit te willen herzien met specifieke aandacht voor onrealistische deadlines en negatieve effecten. Als voorbeeld noemt het CDA de nieuwe, milieuvriendelijkere stallen die boeren verplicht zijn vóór 2022 te bouwen, maar waarvan op dit moment nog niet duidelijk is of deze op tijd ontwikkeld en goedgekeurd zijn.

In de nacht van 7 op 8 juli 2017 stemde een meerderheid van Provinciale Staten, het Brabantse parlement, in met het besluit om de veehouderij in Brabant versneld te verduurzamen. Hiertoe werden de Verordening ruimte, waarin de regels staan waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen, en de Verordening natuurbescherming, waarin alle regels staan voor natuurbescherming in Brabant, gewijzigd. Kern van dit veehouderijbesluit is het vervroegen van de deadline voor wanneer boeren moeten voldoen aan nieuwe milieueisen van 2028 naar 2022.

Voor het CDA staan de gestelde milieudoelen niet ter discussie. Het CDA stond achter de maatregelen met de oorspronkelijke deadline 2028. Over de nieuwe deadlines én de weg daarnaartoe is het CDA echter kritisch. Omdat doelstellingen wel realistisch moeten zijn.

Gegeven de twijfels over de haalbaarheid van de deadline 2022 pleit het CDA voor een scenario-onderzoek naar de effecten van het veehouderijbesluit: wat te doen als de vereiste stalsystemen niet op tijd beschikbaar zijn en maatschappelijk gewenste ontwikkelingen uitblijven? De partij zou graag zien dat het Brabantse provinciebestuur de gevolgen en effecten van div. scenario’s, zoals handhaving of uitstel van de deadlines uit het besluit, op een rijtje laat zetten en doorrekenen.

Een ander onderdeel uit het veehouderijbesluit is mest. Wat het CDA betreft moet mest kunnen worden ver- en bewerkt op logische, bij voorkeur regionale, locaties waar voldoende draagvlak is in de directe omgeving. Dat kan een industrieterrein zijn, maar ook een locatie in het buitengebied, zo staat in het verkiezingsprogramma.

“Wij staan voor duurzame landbouw, maat familiebedrijf”

Tanja van de Ven-Vogels, hoogste nieuwkomer op de provinciale CDA-lijst (plaats 3) en beoogd landbouwwoordvoerder in de nieuwe CDA-fractie: “In de Brabantse landbouw is in de afgelopen jaren veel gebeurd. Partijen staan met de ruggen tegen elkaar, wat niet helpt richting de toekomst. Het CDA wil dat onze provincie trots is op haar boeren. Wij staan voor duurzame landbouw, maat familiebedrijf.”

Van de Ven-Vogels: “De agrarische sector is belangrijk voor Brabant, net als gezondheid en een gezond leefklimaat. Daarbij past een provincie die oog heeft voor wat er speelt en leeft, die beseft dat betrouwbaarheid van overheidshandelen een must is en die bereid is om noodzakelijke veranderingen te faciliteren. Haalbaar en betaalbaar. Met draagvlak als uitgangspunt. Dat vraagt om een andere aanpak dan we in de afgelopen jaren hebben gezien: meer realisme, minder regels en meer trots.”

Andere punten uit de landbouwparagraaf van het CDA-verkiezingsprogramma:

  • Een overgang (transitie) naar kringlooplandbouw met een helder einddoel en tussentijdse meetbare doelstellingen. Een transitie waarin de belangen van alle belanghebbenden serieus worden genomen en waarin er draagvlak is bij iedereen.
  • We moeten zorgen voor eerlijke producten, die op een eerlijke manier worden geproduceerd en tegen een eerlijke prijs worden aangeboden. Een eerlijke prijs voor voedsel is de basis voor nieuwe ontwikkelingen, we blijven actief in overleg met de retailsector hierover en stimuleren streekproducten.
  • Op de stalderingsregeling (het alleen mogen bouwen van nieuwe stallen als oude stallen worden gesloopt) maken we uitzonderingen, wanneer blijkt dat daardoor de maatschappelijke gewenste ontwikkelingen worden tegengehouden.
  • Veel agrarische bedrijven hebben geen bedrijfsopvolger. We koppelen familiebedrijven zonder bedrijfsopvolger aan ondernemers die graag boer willen worden, maar toevallig geen ouders hebben die uit de landbouw komen.
  • We zetten in op experimenten met het realtime meten van schadelijke uitstoot bij de intensieve veehouderij om in beeld te krijgen wat er feitelijk gebeurt in de leefomgeving.
  • Innovaties in de landbouw zijn essentieel voor de toekomst en de leefbaarheid van Brabant. In het economisch programma gaan we vanuit de zgn. ‘Essent-gelden’ (geld dat de provincie kreeg en belegde na de verkoop van energiebedrijf Essent in 2009) inzetten op innovaties in de landbouw en voedselvoorziening.
  • We stimuleren natuurinclusieve landbouw (groenblauwe diensten) en beheermaatregelen voor biodiversiteit, waarvan het effect bewezen is.
  • We willen een actieve houding van de provincie bij het faciliteren van nieuwe concepten en verdienmodellen, zoals nieuwe teelt, het versterken van agrarisch natuurbeheer, pixel-landbouw en ‘energy-farming’.
  • We zijn tegen de aanleg van zonneweides op vruchtbare landbouwgrond en willen éérst de beschikbare, niet-gebruikte ruimte invullen (bijv. de daken van stallen en bedrijven).
  • We onderzoeken samen met de sector hoe andere toekomstige verdienmodellen en nevenfuncties, bijv. agrarische kinderopvang en publieksvoorlichting, kunnen worden versterkt. Dit mede met het doel om boer en burger dichter bij elkaar te brengen.